22 december 2019

Het zorgeloze leven van Albert Goutbeek in Junne

Categorie: Bekende personen, Harry Woertink.    301 keer gelezen.

Albert Goutbeek (1869-1933) was van 1916 tot 1932 samen met zijn gezin pachter van de boerderij “Cappenberg” in Junne.

 Albert Goutbeek uit Junne keert terug van de markt.
Foto: OudOmmen
Gerelateerde albums: “Nieuwe Hammerweg 1 – boerderij ‘Cappenberg’” en “Albert Goutbeek”.

Toen eigendom van de schatrijke Johan Heinrich Wilhelm Lüps, die op het huis “Biljoen” in Rheden resideerde. De van oorsprong Duitse Lüps kon zijn landgoed uitbreiden dankzij de aankoop van de heer W.G. Metelerkamp Cappenberg, een arts uit Edam. De boerderij was toen bekend onder de naam Erven Pouwels of Timermans. Met ingang van 22 februari 1916 wordt vervolgens de boerderij door Lüps verpacht aan Albert Goutbeek uit Oldebroek, die hier zijn geluk verder gaat beproeven.

Boerenwerk
Albert was van huis uit boerenarbeider en Nederlands Hervormd. Hij was gehuwd met een streng Gereformeerde boerendochter, Jantje Gerridina Zielhuis (1868-1936) . Daar de vijf oudste kinderen van Goutbeek de deur uit waren of werk hadden, kreeg zijn steeds bezorgde en hardwerkende vrouw de kans om ook wat aan het reilen en zeilen van de boerderij te doen. Albert zelf voelde niet veel voor het boerenwerk. Liever ging hij op pad. Mensen ontmoeten en streken en grappen uithalen. Maar soms was het vechten tegen de bierkaai met Albert. Hij was zorgeloos, vrolijk en gemakkelijk. Soms uit plagerij werkte alles tegen. In de hooitijd als er regen was wist Albert altijd op tijd het hooi binnen te halen met paard en wagen. Het paard liet zich echter niet zo gemakkelijk vangen door haar baas. Met moeite had zijn vrouw het toch geklaard, maar dan liet Albert het weer los in het land en dat terwijl elk uur belangrijk was om het hooi droog binnen te krijgen.

Roggebroden
De wekelijkse markt in Ommen werd te voet bezocht om roggebroden te halen en andere boodschappen. Met zijn platte pet op het hoofd en een kromme Duitse pijp in de mond was hij altijd in zijn sas. Hij bezocht in de loop der jaren heel wat boeldagen in de omgeving om toch iets te kunnen kopen voor weinig geld. Goutbeek had zo zijn eigenaardigheden. Zo kon hij op de markt zijn pijp stoppen en dan zijn lege luciferdoosje tevoorschijn halen en dan een vuurtje vragen van een ander. Dit stak hij dan per vergissing in zijn eigen zak, waar hij natuurlijk door de goede gever dan opmerkzaam werd gemaakt. Hij verontschuldigde zich en gaf bewust het lege doosje terug. “Dat heb ik weer mooi verdiend”, dacht hij dan.

Staphorst
Zo heeft Albert Goutbeek ooit een keer de krant weten te halen met als titel “Simsons krachten zijn de wereld nog niet uit”. Goutbeek kocht op een boeldag in Staphorst een boerenwagen. Niet met een inspan, zoals ze in de Vechtstreek gewend waren, maar met een kromme dissel. Echt iets uit Staphorst. Maar nu moest de wagen met houten wielen en ijzeren velgen nog naar Junne getransporteerd worden. Een typerend stukje Goutbeek’s karakter komt dan naar voren: Niet een ander vragen om even te helpen. Niet afhankelijk zijn van een ander. Niet laten merken dat je het niet kunt. De boerenwagen wordt eigenhandig van Staphorst naar Junne getrokken, over een afstand van 35 km. Via Lichtmis- Den Hulst- Balkbrug- Witharen (waar hij even uitrustte) verder naar Ommen. De weg na Ommen was voor een groot deel een rulle zandweg. En dan te bedenken dat het gaat om een wagen met ijzeren velgen. Mogelijk heeft hij de wagen in Ommen laten staan en later met het paard het nieuw verworven eigendom opgehaald.

Ketellapper
Was er een ketel lek dan ging die met Albert mee te voet naar Ommen om die te laten repareren. Wanneer de ketel gesoldeerd is vraagt hij de ketellapper er water in te doen. Deze merkt dan op, of hij niet geloofd of de ketel nu niet meer lekt. Maar dat was niet het geval. Hij wilde met een gevulde waterketel de markt over. Lopend langs de kramen en tussen de bezoekers de verhalen van de marktkooplui aan te horen en tegelijk bij deze en gene per ongeluk de ketel scheef te houden, zodat menigeen met water in de klompen die marktdag niet meer zal vergeten. Op een zondagmorgen loopt hij in de zandverstuivingen van Junne en komt daar bij de kampeerders een arts Pim van Diggelen uit Den Haag tegen. Die heeft een radio ontvanger in de tent en Albert mag even de koptelefoon op om muziek uit Engeland te horen. Heel verbaasd en enthousiast komt hij thuis met het verhaal dat hij muziek uit Engeland heeft gehoord. Maar daar komt van zijn vrouw alleen maar de reactie van: ”Foi foi, hoe köi det now doe’n op sundag. Iej heuren in de karke”.

Burenhulp
Een andere streek die hij uithaalde was met het vertrek uit Junne op 21 februari 1932. Burenhulp was de gewoonste zaak van de wereld. Ook voor één die een buitenbeentje was. Het schamele beetje wat ze na de boeldag hebben overgehouden wordt op een boerenwagen gepakt want hun eigen wagen was verkocht. Het gezin wordt door de buren naar Emmen bij Dalfsen gebracht. Wanneer de wagen is afgeladen en de buren terug naar Junne gaan, gooit hij nog een half pond tabak op de wagen als dank voor de hulp en het wegbrengen. Maar wat blijkt: het was een door hem leeggemaakt pak tabak, die hij volgestopt had met fijn gesneden krantenpapier en mooi heeft dicht geplakt. Hij was een onbezorgde en vrolijke man bij wie standen niet direct bestonden. Met zijn streken ging hij vaak net even te ver. Waardoor allerlei verhalen de ronde deden en waarvoor de kinderen zich nogal schaamden.

Einde pacht Cappenberg
Als het aan Goutbeek had gelegen had de bewoning van boerderij Cappenberg wel langer mogen duren. Echter, echter de boerderij wordt verkocht aan verzekeringsmaatschappij “Amstleven”. Het was toen nog niet zo geregeld dat de pachter een recht van eerste koop had of het pachtrecht gehandhaafd bleef. Op 1 juli 1931 komt er een bericht binnen wat een definitief einde betekent voor de familie Goutbeek aan Junne. Met een gezegelde brief wordt hun door de landheer met ingang van 22 februari 1932 de pacht opgezegd. De minst productieve boeren, waaronder Goutbeek, worden gedwongen te verhuizen. Ze vertrekken en vinden een nieuw onderkomen in Emmen onder de gemeente Dalfsen. De boerderij “Cappenberg” aan de Nieuwe Hammerweg 1 in Junne bestaat nog steeds. Alleen is de “C” gewijzigd in een “K” en spreekt met nu van “Kappenberg”. Bovenstaand artikel is ontleend aan gegevens van Ab Goutbeek uit Dalfsen, kleinzoon van eerder genoemde Albert Goutbeek.

Bron: Harry Woertink – 22 december 2019

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image

U kunt afbeeldingen aan de reactie toevoegen door hier te klikken.