1980

Vragen rondom het stadsrecht van Ommen

Categorie: 1900-2000.    4.227 keer gelezen.

“Alzoo het bisschop Otto III behaagde hen op den St. Bartholomeusdag van dat jaar (1248) met Stadsvoorrechten te begunstigen en wel in dezelfde mate en uitgestrektheid als te voren reeds door hem of zijne voorzaten aan de drie grootere steden Deventer, Kampen en Zwolle verleend waren. (sted. Hist. v. Overijssel) Zo staat te lezen in “Beschrijving van Ommen”, 1829, blz. 12.

map07-018-b.jpgafb. OudOmmen

De onbekende schrijver hiervan zegt, dat dit de oudste brief is, die zich in het Stadsarchief bevindt en op perkament is geschreven. Hij laat deze brief voor de oorspronkelijke stadsbrief doorgaan. In de “Geschiedenis van Ommen”, blz. 11 heb ik vermeld, dat wij hier hoogstens met een afschrift te doen hebben en dat het origineel (om welke reden dan ook) niet bewaard is gebleven. Aan de echtheid van dit afschrift wordt echter niet alleen getwijfeld, het wordt algemeen als vervalst erkend. Er komen n.l. verschillende onjuistheden in voor. Als dag van het verlenen van de stadsrechten noemt de onbekende Schrijver St. Bartholomeusdag (24 aug.), en in het stuk staat “daags na” St. Bartholomeusdag (25 aug.). Als jaar van het verlenen van deze rechten wordt aangenomen 1248 en in het afschrift staat 1208. Verder hangt aan het stuk een fragment van een zegel in rode was. Dit zegel is evenwel niet van Otto III, maar van bisschop David van Bourgondië. Verschillende schrijvers delen dezelfde mening. Mr. G.J. ter Kuile zet in het “Oorkondenboek van Overijssel, I”, blz. 210, nr. 133 (1963), na de vermelding van dit stuk er zonder meer achter “vervalst”, en noemt het een “schijnbaar, oorspr. charter”.

K. Heeringa schrijft in het “Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301”, nr. 1180, blz. 509 in een kopnoot: “het schrift dezen oorkonde wijst op de 17e eeuw als dan tijd van ontstaan; het resterende deel van het zegel vertoont geen overeenkomst met dat van bisschop Qtto III. Het stuk is dus als onecht te beschouwen, doch: de inhoud kan juist zijn. Het jaartal 1208 is onmogelijk. Ook zegt Heeringa in een voetnoot verder, dat het stuk schijnbaar oorspronkelijk is.

Mr. A. Telting “Stadrecht van Ommen”, 1897, noemt het de afdruk van de stadsbrief, door Otto van Holland gegeven, of liever gezegd van de oorkonde, welke daarvoor wil doorgaan. Hij schrijft verder: dit zonderlinge stuk, dat geheel gesteld in den gewonen vorm der oorspronkelijke stedelijke privilegie-brieven en zich door geen enkel opschrift of bijbehorende nadere verklaring als kopie of vidimus doet kunnen, draagt evenwel in alle opzichten de bewijzen, dat het in veel lateren tijd moet zijn ontstaan. De hand, waarmede het charter is geschreven, behoort tot de 17e eeuw en ook de slordige redaktie, waarin men zelfs bij de opgave van het jaartal een woord wegliet, doet ons zien dat wij hier hoogstens met een kopie van het oorspronkelijke, zo niet met eene navolging van andere dergelijke brieven te doen hebben”.

De oudste vermelding dat Ommen stadsrechten heeft gehad vond ik bij Dumbar (1721). In “Analecta” II, Overijsselsche Chronycke, blz. 232 staat: 1248 “ende in hetselfde jaer heeft Ommen stadtgeregtigheid gekregen”. Dumbar noemt Ommen ook, wanneer hij schrijft (blz. 264-265), dat in 1336 “geheel Overijssel, uybesondere Campen, aen den Grafe verpondt werd, waaronder de steden Deventer, Swolle, Hasselt, Genemuiden, Ommen, Rijssen, Gore ende Oudenzeel”. Schijnbaar zijn de “rechten en vrijheden” die Ommen zou hebben genoten, niet nader door Otto III omschreven. Dumbar vermeldt slechts dat ze gelijk stonden aan die van Zwolle, Kampen en Deventer. Men kan zich afvragen, waarom pas in 1451 de stadswillekeur is vastgesteld, dus ruim 200 jaren later. Heeft Ommen het van 1248 tot 1451 zonder deze voorschriften, die toch gegrond moeten zijn op het privilegie als stad, moeten doen? Is de inhoud van deze willekeur ontleent aan dezelfde voorschriften die Zwolle, Kampen en Deventer reeds lang bezaten? Een andere vraag is, waarom men pas in de 17e eeuw (dus 500 jaar later) een nieuwe bevestiging van de stadsrechten nodig oordeelde. Indien het bestaande stuk een afschrift van de oorspronkelijke stadsbrief was, had men dit zeker wel vermeld, met bevestiging door degene die het afschrift verstrekte.

Dan komt men tot de vraag of het wel een afschrift is, of alleen een stuk dat men opstelde om toch maar iets te hebben dat op een officiële oorkonde geleek. In 1618 heeft men de juiste weg gevolgd, toen men van een andere privilegiebrief, n.1. van bisschop Johan, gedateerd 2 maart 1346 een vidimus of afschrift nodig had. Burgemeester Derrick Roeloffs en meensman Derrick Meynaert hebben het oorspronkelijke stuk “wesende heel olt ende verlegen ende den steert vant uythangende zegel eenigermaten beschadigt, suls deselve met een spelde was geheget, om niet ’t eenenmael doer onvoor-zienichheid affgeruckt te worden”, aan het gemeentebestuur van Deventer voorgelegd, die er een door een gewaarmerkt en van het zegel der stad Deventer voorzien afschrift van hebben gemaakt en afgegeven, onder vermelding van de reden waarom. En waarom heeft men het oorspronkelijk stuk (van 1248), al was het dan beschadigd, niet naast het “afschrift” bewaard? Daar was het toch belangrijk genoeg voor! Allerlei vragen, die zich rondom het stadsrecht van Ommen voordoen. Nu het afschrift, ons enige houvast, als vervalst wordt bestempeld kunnen wij het bezit van stadsrechten alleen bewijzen wanneer de oorspronkelijke brief van Otto III, na plm. 700 jaar verdwenen te zijn geweest, nog eens te voorschijn komt. Als die brief tenminste ooit heeft bestaan.

G. Steen.

Bron: OudOmmen – uit het archief van Jan Lucas – Map07-018-020
Noot redactie OudOmmen: Datum oorspronkelijk schrijven / publiceren is onbekend

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image