микрозаймы

27 juli 2020

Het Volk over de historie van Ommen (deel 1)

Categorie: Algemeen, Harry Woertink.    255 keer gelezen.

In het voorjaar van 1944 is er in het dagblad Het Volk aandacht voor de historie van Ommen. In de toen door de Duitse bezetter gecensureerde krant wordt in twee delen de geschiedenis belicht.

 Oudste bekende zegel van de Stad Ommen.
Afbeelding: OudOmmen

Na de oorlog ging het socialistisch dagblad verder onder de naam Het Vrije Volk. In het eerste deel over het ontstaan van de naam Ommen, het stichten van een kerk en waarom Ommen in1248 stadsrechten kreeg. De spelling is aangehouden van de krant. De twee delen uit het dagblad Het Volk zijn overgenomen van de website www.Delpher.nl.

Dankt het zijn naam aan den Utrechtsen bisschop Otto?

Tussen hamer en aambeeld
“Moeilijk is het de reden op te geven waarom Ommen juist deze naam kreeg. De meest voor de hand liggende verklaring is deze: De uitgang “men” komt in deze streken voor in de namen van verschillende buurtschappen zoals Besthmen en Giethmen, welke buurtschappen vroeger ook wel Besthem en Giethem genoemd werden en zeer waarschijnlijk zijn afgeleid van Bestheim en Gietheim. Deze verbastering vindt men ook in de namen van de buurtschappen Windesheim en Sutheim onder Zwolle, waarvan de eerste meestal Winssem genoemd wordt, terwijl de laatste thans niet anders bekend is dan onder de naam Zuthem. Vermoedelijk schreef men dus weleer Omheim en Omhem en heeft deze naam zijn oorsprong te danken aan het feit dat er hoe langer hoe meer woningen werden gebouwd rondom het nog geen naam ontvangen hebbende Heim of Huis, dat aan den landheer, den Utrechtsen Kerkvoogd, toebehoorde en hetwelk tot woning diende van een van zijn dienaren, aan wien hij het Veer of zijn veerstal in pacht of leen had afgestaan.

Een andere verklaring is, dat de Hof reeds van vroegere eeuwen af een Domein van de Utrechtse Bisschoppen is geweest en naar Bisschop Otto I de naam van Otto’s heim (= Otto’s huis) en vervolgens door verbastering van taal en schrift de naam van Otto’s hem, later Othem en eindelijk Ommen gekregen heeft, welke naam naderhand aan het dorp en vervolgens aan de stad is gegeven. Doch zoals het met de namen van de meeste plaatsen uit de Middeleeuwen gaat, het blijven niets meer dan gissingen ten opzichte van de waarschijnlijke oorsprong.

Nadat, vooral door de zorgen van Lebuinus de verspreiding van de Christelijke godsdienst in deze landen hand over hand toenam en de inwoners het heidendom vaarwel zegden, begon men hier en daar kerken te stichten om daarin de godsdienst uit te oefenen. Door de Utrechtse Kerkvoogden, als opperste geestelijken, maar ook als wereldlijke Heren van deze landen, werden aan deze kerken bondzegelen uitgedeeld. Zulk een kerk werd bij voorkeur daar geplaatst, waar reeds kleine buurten bestonden en zo ook bij des Bisschops hof en veerstal over de Vecht aan de weg van Salland naar Drente, die toen waarschijnlijk reeds heerbaan of weg voor het leger was. Ook is het mogelijk, dat de kerk reeds gebouwd was voordat de Hof met de daarbij gelegen woningen bestond, en is deze later overgeplaatst. Toch mag men wel als zeker aannemen, dat die kerk reeds voor het jaar 1200 is gebouwd, doordat reeds enige jaren naderhand gewag gemaakt werd van enige krijgsknechten, die zich te Ommen, dat toen nog een dorp was, verzamelden, iets wat zij niet gedaan zouden hebben, wanneer er in dat dorp geen woningen waren om allen te huisvesten. De woningen zullen daar gebouwd zijn door landlieden en andere personen, die zich ter onderlinge beveiliging en wederzijdse bescherming bij den hof van den Bisschop hadden gevestigd, terwijl zij dan tevens dicht bij de plaats waren, waar zij de plechtigheden van hun godsdienst te verrichten hadden.

Het Kerkdorp Ommen was dus reeds in het jaar 1200 gevestigd, ja, het is zelfs mogelijk, dat het toen reeds een halve eeuw had bestaan, zonder dat de oorkonden er iets over bericht hebben. Het jaartal geeft echter aanleiding om tot de historie van de plaats over te gaan uit de vaderlandse geschiedenis en bij die der provincie is bekend, dat de verschillende gedeelten waaruit Overijsel is samengesteld, voor en na onder het wereldlijk Oppergezag der Bisschoppen van Utrecht kwamen. Onder die landen waren ook begrepen de Marken of het land aan de Vecht, dat vermoedelijk niet tot Salland heeft behoord, maar een afzonderlijk gebied vormde. Tot deze Marken aan de Vecht behoorde nu, behalve Gramsbergen weleer Bergen, en Hardenberg, vroeger Nienstede, ook het dorp Ommen waar de heirweg van Salland naar Drente over de rivier leidde. Langs deze weg trok het krijgsvolk van den Bisschop, wanneer deze in oorlog was met enige wederspannige vazallen in “het Landschap”, dat eertijds een graafschap was.

Krijgstoneel
Zo gebeurde het in of omstreeks 1215, dat Bisschop Otto van der Lippe een leger verzamelde om den tegen hem opgestanen Rudolf, slotvoogd van Coevorden, te bedwingen. Aan een gedeelte van dit leger, dat door hem in Salland geworpen was, gaf hij last te Ommen te legeren, doch Rudolf trok ijlings met een troep der zijnen naar Ommen, overviel aldaar de bezetting, zodat zij allen verslagen en op de vlucht gedreven werden.

Twaalf jaar daarna, of in 1227, scheen het dat Ommen wederom het toneel van de oorlog zou worden, want Bisschop Otto op wraak belust tegen de oproerige Drentenaren, verzamelde een groot leger waarmee hij hen trachtte te onderwerpen. Den krijgslieden met hun aanvoerders had hij bevel gegeven zich in Ommen te verzamelen. Weldra zag men dan ook Gerard, graaf van Gelder, met een menigte Hollandse en Cleefse krijgsbenden en verscheidene aanzienlijke ridders uit de bisdommen van Keulen en Munster op de verzamelplaats aankomen. De Bisschop, die reeds tevoren met een aanzienlijk leger in Ommen aangekomen was, ontving hen met blijdschap.

Op de 27e Juli 1227 kwam het tot een grote slag, waarbij het leger van den Bisschop, dat gedeeltelijk in het verraderlijke moeras geraakt was, door de Drenten verslagen werd de Bisschop zelf sneuvelde bij dit gevecht in de buurt van Ane. In het volgende jaar echter trokken de Sallanders opnieuw door Ommen en ten noorden van deze plaats over het moeras, tegen de Drenten op. Nadat zij de Reest waren overgetrokken, vielen zij in het onbezette Drente, hetwelk alom geplunderd en in brand gestoken werd.

De bewoners van Ommen, dat dus de uiterste grensplaats van Overijssel was, waren na die tijd zeer bang voor vijandelijke overrompelingen, waaraan hun onbemuurde woonplaats steeds bloot stond. Het gevolg hiervan was dat zij zich tot hun landsheer wendden ter verkrijging van stedelijke voorrechten, welke pogingen hun dan ook in het jaar 1248 gelukten, daar het Bisschop Otto III van Utrecht behaagde hen op den St. Bartholomeusdag van dat jaar met stadsvoorrechten te begunstigen en wel op dezelfde wijze als te voren deze reeds aan de drie grotere steden Deventer, Kampen en Zwolle verleend waren. De Bisschop zal voor zeker niet weinig in aanmerking genomen hebben de opofferingen, welke de Ommenaren zich voorheen hadden moeten getroosten, zowel door legering van eigen krijgsvolk als door de schade die de vijand had aangericht, terwijl het hem aan den anderen kant niet onverschillig kon zijn, wanneer een van zijn grenssteden versterkt werd en daardoor de overtocht over de Vecht behoorlijk beschermd. Het is daarom ook zeer waarschijnlijk, dat hij de stad dadelijk van muren en poorten heeft voorzien.

Een langdurige rust schijnt het gevolg hiervan te zijn geweest, want gedurende bijna een eeuw vindt men niets over Ommen aangetekend, dat van belang is. Tot in het jaar 1330 de ingezetenen op een zeer onaangename wijze uit hun rust opgewekt werden. Tijdens de oorlog, die de Heren van Rechteren en Van Voorst tegen Bisschop Jan van Diest voerden over het bedijken van het Mastenbroek, vielen eerstgenoemden in de nacht van 9 Mei 1330 het plaatsje met hun krijgsvolk binnen, staken het terstond in brand en vertrokken niet, voordat alle vestingwerken en muren met de grond gelijk gemaakt waren. Nog enkele malen heeft het stadje veel te lijden gehad, o.a. door Evert van Essen, die het in 1379 innam, terwijl het in 1542 werd gebrandschat door den Geldersen overste Rudolf van Munster. Verder werd het in 1622 door de Spanjaarden bezet en de 7de October 1665 door de Munsterse troepen zonder moeite in bezit genomen”.

Deel 2 van “Het Volk over de historie van Ommen” is te lezen via deze link.

Bron: Harry Woertink – 27 juli 2020

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image