26 april 1823

1823 – Raadsbesluit

Categorie: Archief.    2.311 keer gelezen.

Rb. 26-4-1823 – Reglement omtrent het omgaan met vuur en licht en middelen van blussing bij het ontstaan van brand.

Gelezen het besluit van Zn Ex. den Heere Gouverneur van de Provincie Overijssel van den 30 January j.1., Divisie nr. 1 nopens het aanwenden der Middelen tot het blusschen van brand. In aanmerking nemende de weid uit elkender legging der woningen uitgezonderd de Voorbrug te Ommen welke ook door hunne ligging zeer voegzaam zoo als dezelve particulier in den Jare 1812, ook door inteekening met de Stad Ommen bij de Spuit aldaar bestaande nog eentweede tot onderling gebruik hebben aangeschaft overigens op het Schout-ambt eene Brandspuit geen effect kan doen meestal mede door gebrek aan water. Hebben goedgevonden en verstaan onder approbatie van Zn. Ex den Heere Gouverneur vast te stellen het navolgende Reglement omtrent het omgaan met vuur en licht en middelen van blussing bij het ontstaan van brand:

  1. Niemand zal eenige asch mogen storten binnen de distantie van acht ellen van huizen, schuren, hooiblokken, tuinen of mestvaalten en dan nog behoorlijk met water natgemaakt en doorgevoerd bij verbeurte eener boete van een tot vijf gulden alsmede zal geen plaggenhopen mogen gelegd worden dan op de distantie van vier ellen van huizen, schuren en verdere gebouwen bij verbeurte eener boete van een tot drie gulden.
  2. Niemand zal eenig vlas mogen drogen bij het vuur of voor haarden in de huizen nog op eenige distantie buiten de huizen op het land op eene boete van een tot 3 guldens gelijk mede het braken en hekelen van vlas na zon-ondergang of voor zon-opgang niet zal mogen geschieden op eene gelijke boete voornoemd.
  3. Niemand zal bij het behandelen van Brandbare stoffen het vervoer van hooi, stroo, turf, heide, vlas en meer andere brandbare stoffen mogen rooken nog op deelen in schuren, hooibergen, stalling, schape en varkensschotten op eene boete van 50 cents tot 2 gulden. Wordende wel expresselijk verboden om kalveren of ander vee op de stallen staande drinken te geven uit dezelfde ketel waarin hetzelve op het vuur gewarmd is, noch die ketel op de deel of schuren om te verkoelen mogen worden nedergezet op eene gelijke boete.
  4. Wanneer iemand in deszelfs stallen eenig licht noodig heeft zal denzelven gebruik moeten maken van eene goede digte lantaaren. Zoo mede op de deelen alleen hetzij eene lantaarn of goede bak-lamp van boven overdekt met blik of kooper en dan nog deze laatste niet anders mogen hangen dan tegen de muur op de bovenkant der deel, wordende expresselijk verboden de gewone keukenlamp of ander licht dan gezegde lamp in de keukendeur te mogen hangen of in het muurgat aan de deelkant te mogen zetten op eene boete van 50 cents tot 2 gulden diens volgens zal een ieder moeten voorzien zijn van eene goede lantaarn welke steeds voorhanden moet zijn met eene goede kaars op de boete van 60 cents.
  5. De schoorsteenen zullen steeds goed zuiver zonder barsten en tenminsten tweemaal in het jaar worden geveegd waartoe in de maand Mei en October visitatie zal geschieden door de Ambtenaren daartoe gesteld, zullende hetgeen hiertegen word bevonden wordende gestraft met eene boete van een tot 5 gulden.
  6. Ook zal een ieder moeten voorzien zijn van eene goede ijzere muurstolp voor zoo verre daartoe vermogend zijn anders eene aarden pot of pan ter beslissing van het Bestuur en na de gesteldheid der woning welke des nachts over het vuur zal moeten gezet worden op poene van gelijke boete als art. 5.
  7. Wijl voorts de ondervinding heeft doen zien dat dikwijls vele ongelukken ontstaan door het slecht voorzien van schoorstenen, smitterijen, bakers, ovens, branderijen, brouwerijen, eesten, droogerijen van mout, hoppe en dergelijke, zoo zullen dezelve moeten worden gemaakt en voorzien met alle mogelijke voorzigtigheid waar van de eigenaren bij het maken, dezelve desgevorderd door attestatie van twee timmerlieden of metzelaren aan den Schout zullen moeten doen geblijken en wanneer vervolgens de naburen mogten vernemen, dat deze hiervoren genoemde voorzieningen niet genomen zijn zooals het behoort, zullen dezelve zich moeten adresseren bij den Schout, die de eigenaren of gebruikers zal doen aanzeggen, om hetzelve dadelijk te remedieren en ingeval deze hieraan in gebreken mogten blijven zal den Schout na verhoor van partijen en examinatie van zaken hier in order stellen, zullende voorts de Schout ieder jaar in de maand Mei alle schoorstenen en ovens in de gemeente laten visiteren en daaraan defecten vindende, het herstel daarvan gelasten binnen een daartoe door hem te bepalen tijd op de boete van een tot drie gulden telkenreize te verbeuren aan de gegevene orders binnen de bepaalde tijd niet behoorlijk worden voldaan.
  8. Iemand bevonden wordende broeijend hooi op hunne zolders, schuren, hooiberg of axen mijlen binnen de distantie als art. 1 is gezegd te hebben gelegd zal verbeuren eene boete van een tot drie gulden en bovendien op de eerste aanzage moeten verplaatsen op eene dubbele boete.
  9. Een ieder zal des avonds dadelijk na zonondergang in deszelfs huis moeten voorzien zijn van tenminsten eene volle emmer water voor de hand staande op eene boete van 50 cents.
  10. Ieder huis zal moeten voorzien zijn van eene goede brandhaken aan een stok van tenminsten zeven ellen met een veer en taaije klinknagels vastgemaakt welke steeds in de eerste greep voor de hand zal moeten zijn op eene boete van zestig cents.
  11. Ingeval er binnen deze gemeente in eenige buurtschap brand ontstaat zullen niet slechts de ingezetenen van dezelfde maar ook van de naast aangelegene buurtschappen dadelijk ter hulpe moeten toeschieten mede brengende de brandhaak, een emmer en schop op poen van een tot drie guldens zoo den zelven van de brand geinformeerd is geweest en in gebreken gebleven is van zich ter hulpe daarna toe te begeven, alsmede op eene boete van een gulden voor ieder brandhaak, emmer of schop, zoo in gebreken mogten gebleven zijn mede te brengen, indien de brand bij den nagt ontstaat zal leren hetgeen voorschreven op gelijke boete ieder eene lantaarn met behoorlijke kaars of lamp in dezen moeten worden medegebragt.
  12. In gevalle van brand zal bij absentie van den Schout of eenig lid van het Gemeente Bestuur den Rotmeester in ieder buurtschap de noodige orders stellen ter behoorlijke blussching of stuiting van den voortgang der brand door vooreerst de wegen tot het brandend gebouw behoorlijk door vertrouwde lieden te doen bezetten, om dat geene goederen worden ontvreemd alzoo niemand met eenige goederen te laten passeren dan welbekende en niet verdagte personen en dan nog met opgave der plaats waarna toe dezelve gebragt worden. Voor zoo veel doenlijk het brandend gebouw indien directe blussching niet mogelijk is met de brandhaken ter neder te trekken het zelve zoolang er water verkrijgbaar is, met het zelve te begieten anders bij gebrek vandien met zand te blussen het verbrande gebouw dadelijk na de blussing geheel los te werpen om het vuur tot den grond geheel uit te doven daarbij gedurende tenminsten 24 uren eene wagt te stellen.
  13. Bij gelegenheid van den brand en bij absentie van den Schout of eenig lid van het bestuur zal een ieder zich stipt moeten gedragen naar de orders van den Rotmeester van de buurtschap waar de brand is, op verbeurte eener boete van een tot drie gulden.
  14. In ieder buurtschap zal een brandwagt zijn tezamen gesteld uit den Rotmeester en eene persoon uit de meest gegoedste en vertrouwde ingezetenen hem door het bestuur te benoemen worden toegevoegd welke gedurig tenminsten eens in de maand visitatie zullen doen naar den omgang met vuur en licht, en desverkiezende alle dagen in de huizen der ingezetenen dezelfde visitatie mogen doen, hetwelke niemand zal vermogen te weigeren toe te laten op poene van een tot drie gulden.
  15. Alle boeten in dezen bepaalt zullen komen half ten profijte van den aanbrenger of ambtenaar die de Calange doet, en half ten profijte van den armen van die gezindheid waartoe de gecalangeerde behoort.
  16. Ingeval van volsterkt onvermogen der bruikschuldige, zoodanig dat de boeten en kosten van executie aan deszelfs goederen niet kan verhaald worden, zal denzelven gestraft worden naar omstandigheid met eene gevangenis van vierentwintig uren.

En zal hiervan afschrift aan Zn. Ex. den Heere Gouverneur van de Provincie Overijssel worden ingezonden.

Bron: Archief Jan Lucas / Peter Vosselman† – Map001-071/074

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image