микрозаймы

18 maart 2018

Ommen. Lang geleden (5)

Categorie: Harry Woertink.    1.455 keer gelezen.

Een vervolg over Ommen, maar dan lang geleden. Over het ontstaan van de stad, de bewoners en het leven op het platteland. In dit deel de kleding van toen.

 In het Streekmuseum poseert een mevrouw met een baby op de arm in oude klederdracht.
Afb.: Streekmuseum Ommen

Een sociografie van Ommen, zoals vervat in een rapport uit 1949 gemaakt door Groenman en Schreuder in opdracht van de stichting Maatschappelijk werk ten plattelande.

Bij de kleding moet onderscheid gemaakt worden tussen werk- en zondagse kleding en tussen kleding van boeren en burgers. De kwaliteit van de kleren is zeer goed te noemen. Door de week draagt de boer een zwaar en donker manchester, waaronder een zwarte trui en blauwe kiel. Het aantal onderkleren is zeer groot; er worden veel gebreide borstrokken gedragen. ’s Zondags verandert de garderobe. Dan trekt de boer zijn zwarte lakensepak aan, waaronder weer de trui. De pijpen van de broek zijn kort en nauw. Het geheel wordt gecompleteerd door zwarte sokken, de mooie wit geschuurde klompen en zwartzijden pet. De lakense kostuums zijn zeer degelijk en het komt vaak voor, dat de boer zijn gehele leven hetzelfde kostuum gebruikt.

Van de diverse modevoorschriften trekken de boeren zich nagenoeg niets aan. Confectiekostuums zijn nog niet in zwang. Ook niet bij jongeren boeren. De magazijnen voor confectiekleding vinden daarom ook hun klanten voornamelijk in de stad en een enkele keer onder de meer „verburgerlijkte” boeren. Het zondagse kostuum wordt alleen gedragen op zon- en feestdagen, bij visite en andere uitgangsdagen. In de stad wordt als werkkleding de overall gebruikt. De laatste jaren zie je ook meer dat het platteland inburgert en daar vooral gedragen wordt door de jongelui. De overall fungeert ook wel als half “opknappertje” als bijvoorbeeld een tuniek erbij wordt aangetrokken of het manchester jasje of het afgedankte zondagse kostuum. Het gebruik van een winterjas is er bij mannen gaandeweg ingekomen. Dat deze jas werkelijk meer mode- dan nuttigheidsobject is, blijkt duidelijk uit het feit dat men er niet tegen opziet op hete zomerdagen de jas aan te trekken. Regenjassen ziet men vooral bij de jongelui.

Mode
In de stad worden voorschriften de van de mode beter gevolgd, hoewel een zekere achterstand kan worden geconstateerd. De vrouwen gaan al even stemmig gekleed als de mannen. Veel ondergoed, meestal van degelijke kwaliteiten zelf gebreid; daarover twee of drie lange, wijde rokken en een jakje. Verder dragen ze zwarte gebreide kousen en buitenshuis werkklompen. Door de week wordt altijd een bontgekleurd schort gedragen. Het witte kanten mutsje wordt tegenwoordig alleen ’s zondags en opgezette tijden en bij de kerkgangen bij feestelijke gelegenheden. Zodra de vrouw van de kerkdienst is thuisgekomen, zet ze de muts weer af. De jongere vrouwen dragen de mutsjes niet meer. Dat vele boeren en vooral de jongelui toch wel beïnvloed worden door het contact met de mensen uit de stad, wordt door het voorgaande wel bewezen. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de voorschriften van de buitenwereld altijd even deskundig worden opgevolgd. In de eikenhouten kasten langs de wanden zijn grote hoeveelheden ondergoed en linnen opgestapeld. Iedere boerin krijgt namelijk op haar trouwdag een uitzet mee, waarvan het nut groot zou kunnen zijn. In feite echter wordt een en ander zelden gebruikt en dient meer om mee te pronken tegenover de buren. Het gevolg is dat na verloop van jaren een groot deel dezer goederen zijn vergaan. Alleen wanneer iemand sterft wordt het linnen gebruikt om er een doodshemd van te maken. De reparatie van de kleding, met name dus van het ondergoed, geschiedt in de winter door de vrouwen en meisjes. Van naaisters wordt op het platteland zelden gebruik gemaakt. Wel worden er de laatste jaren naaicursussen gehouden, waarvoor vooral de jongelui belangstelling tonen. In de stad werken een tweetal kleermakers en enkele naaisters, deze laatste dus uitsluitend voor de burgers.

Inkomen
Het inkomen wordt hoofdzakelijk besteed aan primaire levensbehoeften. De financiële status van de boer is trouwens niet van dien aard, dat hij zich grote uitgaven kan permitteren. In tijden van voorspoed, zoals in de laatste jaren, wordt het surplus aan verdiensten opgepot. De boer uit deze streek is over het algemeen zuinig. Voor luxe-artikelen wordt weinig geld uitgegeven. De waardering van deze goederen is dan ook geheel verschillend van die in de stad. Kan een persoon in de stad in vele gevallen buiten een fiets, een boer kan dat niet en zeker niet in een gemeente als Ommen, waar de afstanden zo groot zijn. Het is daarom ook verre van om te spreken van verkwisting wanneer het opvalt, dat vrijwel ieder lid van het gezin een fiets bezit en dikwijls een nieuwe. Voor de middenstand in het stadje zelf liggen de verhoudingen enigszins anders. Deze groep heeft het in het algemeen evenmin breed en men kan over deze mensen ook nauwelijks als verkwistend spreken, al bezitten velen een radio, een stofzuiger, schilderijen, enkele boeken en dergelijke semi-luxeartikelen. Dit is te danken aan de verbreking van het isolement, hetgeen een ruimer inzicht tot gevolg had. Voor charitatieve instellingen geeft de Ommenaar alleen, als het doel hem bekend en vertrouwd is. Vooral indien er een collecte van de kerk uitgaat, kan men soms royaal uit de hoek komen. Ook als men eens een uitstapje maakt -en het komt voor, dat een boerenvereniging naar het westen gaat -kijkt men niet op een dubbeltje, evenmin als bij feestdagen, zoals geboorte, doop, huwelijk en dergelijke. Meer over “Ommen. Lang geleden” in deel 6.

Bron: Harry Woertink – 18 maart 2018

1 Reactie »

• • •

1 reactie »