11 maart 2018

Ommen. Lang geleden (4)

Categorie: Harry Woertink.    705 keer gelezen.

In deze streek en vooral in het oosten en zuiden van Ommen ziet men vele boerderijen van het oude Saksische type of het Halle-type waarop overigens vele variaties zijn.

 Erve Volkerink aan de Beerzerweg in de jaren 40, als voorbeeld van een Saksische boerderij met zogeheten onderschoer, een inspringende ruimte in de achtermuur van de deel.
Afbeelding: OudOmmen

De woonruimte, een donker vertrek met slechts een tweetal ramen, is van de deel gescheiden door een muur, waarin een deur zit aan een kant van de haard. Aan de andere kant van het vuur is de vaste zitplaats van de boer. Vaak treft men hier in de muur een raampje, zodat de boer zo nu en dan zijn blik kan laten gaan over de deel en het vee in de stallen. In het vertrek zijn een groot aantal zware eikenhouten kasten en kisten geplaatst, waarin onder andere het linnengoed wordt opgeborgen. Het plafond is van stevige balken gemaakt. In de winter hangt er worst en spek te drogen. De veestallen bevinden zich aan weerskanten van de open deelruimte. Aan de ene kant de koestallen, de kalveren het dichtst bij de woonruimte. Aan de andere kant zijn de varkenshokken gebouwd, terwijl hier tevens plaats is ingeruimd voor de paarden, voorzover deze dan aanwezig zijn. Tussen koestal en woonruimte vindt men in de nieuwere boerderijen een smal gangetje, waarin soms een pomp is, soms een WC. In de oudere boerderijen staat de WC ook wel achter in de stal of buiten het huis en ontbreekt in enkele gevallen geheel. Dan dient de mesthoop als zodanig. In de stad bestaat nog het tonnetjessysteem, waarbij dan een ophaal dienst functioneert. Alleen de moderne huizen en villa’s bezitten toiletten met doorspoeling.

Bedstee
Keren we naar de boerderij terug, dan blijkt dat in enkele gevallen de bedstee nog aanwezig is. Deze bevindt zich aan weerskanten van de woonkamer. Het zijn diepe, donkere hokken met deuren ervoor, ingebouwd in de muren. Vooral door de jongere boeren werden later de nog overgebleven bedsteden vervangen door slaapkamers of opslagruimten. Het aantal mensen, dat in een bedstee slaapt, was afhankelijk van de gezinsgrootte. In grote gezinnen kwam het nog voor, dat er vijf of zes kinderen in een bedstee sliepen, waarvan een paar aan het voeteneind. Over gebrek aan beddengoed was geen klagen. Wel gebruikte men weinig dekens, maar sliep men onder een dekbed; een soort sloop, gevuld met kaf of iets dergelijks. Lakens raakten meer en meer in gebruik, daarentegen was er zelden een sloop voor het hoofdkussen. De kwaliteit van een en ander was zeer degelijk. De helderheid echter laat meestal te wensen over, vooral in de zomer. De deel diende voornamelijk tot opslagruimte en in de nazomer in gebruik voor het dorsen. In de moderne boerderijen heeft de deel aan ruimte ingeboet, zodat het hierdoor mogelijk was het aantal stallen uit te breiden. Dit was een gevolg van de verschuiving, die plaats vond van bouw- naar veebedrijf. Boven de deel waren tasruimten voor hooi en veevoer. Onder de woon- of slaapkamertjes. In de woonkamer werd ’s winters het voedsel bereid op de grote kachel, die voor de schouw stond. Deze schouw was rondom met mooie tegeltjes versierd. Nog eerder werd op het open haardvuur gekookt. De potten en ketels waren aan een haal met ketelhaak bevestigd, waardoor het mogelijk was de potten naar zich toe te halen, ’s Zomers kookten de vrouwen altijd in het stookhok buiten de boerderij, terwijl enkele vooruitstrevende mensen gebruik maakten van gas uit bussen.

Onderschoer
Karakteristiek voor de oude Saksische boerderij is ook de zogeheten onderschoer, een inspringende ruimte in de achtermuur van de deel. Men hangt er het paardentuig op en zet er melkbussen neer. Tevens werd het paard er neer gezet tijdens een korte schafttijd. Bij de jongere boerderijen is de achtermuur echter rechtgetrokken. In de zomer bracht de drukke werkzaamheden met zich mee, dat een deel van het huiselijk leven zich verplaatst naar de deel. Men gebruikt er de maaltijd, waarbij men echter niet te veel kan letten op comfort. Waterleiding kwam op het platteland vrijwel niet voor, daar het aantal „niet aansluitbare percelen” groot was. Het water werd verkregen uit meer of minder hygiënische putten, soms uit een pomp. Over het water werd nogal geklaagd. Het duurde bij de pomp veel te lang voordat het water opkwam en dan is het altijd gekleurd en verontreinigd door zand en dergelijke. In tegenstelling vaak tot het schoonhouden van de boerderijen werden de stallen goed onderhouden. De behandeling van het vee was trouwens meestal zeer goed. Vaak hoorde men de mening verkondigen, dat een boer eerder naar een veearts gaat wanneer er een koe ziek is, dan dat hij naar de huisarts gaat als er een van de gezinsleden ziek is. Bij gebrek aan elektriciteit zal men nooit een stofzuiger aantreffen op de boerderijen. Het huisvuil wordt op de grote hoop gegooid. In de stad is een gemeentelijke reinigingsdienst. De vloer in de woonkamer is een enkele keer van hout, gewoonlijk echter van cement gemaakt, dat dan rood geschilderd wordt. Hierop legt men een rieten mat,- soms een kleedje en in enkele gevallen vonden we nog het fijne witte zand, dat alleen gestrooid wordt op plaatsen waar gelopen wordt, dus bijvoorbeeld niet onder de stoelen, kasten of tafel. Boenwas wordt dus zelden gebruikt voor de vloeren. Wel werd soms wrijfwas gebruikt voor het meubilair, vooral bij de jongere boeren. Voor het wassen der kleren wordt wel waspoeder gebruikt en vooral ook grote hoeveelheden groene zeep.

Huisapotheek
Wanneer het er wel was bleek de inhoud van een huisapotheek vaak van primitieve aard te zijn. Bij het heersende gebrek aan hygiënische begrippen verwondert men zich dan ook niet als er verteld wordt, dat een snijwond met wagensmeer wordt behandeld, waarbij een oud laken als lap dient. Indien een van de gezinsleden een 1andbouwcursus had gevolgd of als de dochter de 1andbouwhuishoudschool had bezocht, die na de oorlog is opgericht, dan is het wel eens mogelijk, dat er zalf en verbandstoffen aanwezig waren. In de stad kwam de huisapotheek vaker voor. De inhoud bestond meestal uit Haarlemmerolie en wonderzalf. Ook kwamen er wel aspirine, jodium en kininepillen in voor. Meer over “Ommen. Lang geleden” in deel 5.

Bron: Harry Woertink – 11 maart 2018

2 Reacties »

• • •

2 reacties »