7 januari 2022

Noaberschap, vroeger heel gewoon

Categorie: Harry Woertink, Oude gebruiken & tradities.    307 keer gelezen.

Vroeger gold in kleine sociale, overwegend agrarische buurtschappen het noaberschap. De bewoners vormden samen een hechte gemeenschap.

 Gerrie Horsman en Gerrit Steen van de Gemienschop van Oll Ommer op weg met een krentewegge naar een kroamvisite van een noaber.
Foto: CCO

De gezamenlijke noabers (buren) hielpen elkaar vrijwillig, maar eigenlijk waren het plichten, de zogeheten noaberplichten, ongeschreven wetten waar iedereen zich aan hield, maar ook wel aan moest houden. Want wie de noaberplicht niet nakwam werd de noaberschap opgezegd en een grotere schande kon je iemand niet aandoen!

Nacht en ontij
Dienst en wederdienst zijn de fundamenten waarop het noaberschap rusten. De mensen hadden weinig geld om alles te betalen en daarom hielpen ze elkaar voort, zo goed als ze konden. Aan een goede buurman had je vaak veel te danken. Het was niet alleen de man waar je overdag een buurpraatje mee kon maken of bij wie je iets kon lenen als dat zo te pas kwam, ook in minder goede omstandigheden kon je je buurman bij nacht en ontij roepen. Je hoefde maar op het raam te kloppen en te zeggen dat je er was om zijn hulp bij het een of ander in te roepen of de buurman schoot de broek aan en kwam bij de achterdeur om te vragen waar hij je mee helpen kon. Kon hij het alleen niet af, dan klopte hij de andere buur uit bed, die ook net zo bereidwillig kwam.

Geboorte, doop en begrafenis
Geboorte, doop en begrafenis waren gebeurtenissen waarbij het noaberschap ten volle tot zijn recht kwam. Bij de geboorte van een kleine kwamen als eerste de twee noabervrouwen van weerskanten voor de eerste hulp. Ze hadden er niet voor geleerd, maar door de ervaring die ze in hun leven hadden opgedaan waren ze met alles goed op de hoogte. Ook als het kind er was bleven ze komen om moeder en de kleine te verzorgen. Het kind werd ’s morgens ingepakt om geen kou te vatten en werd bij de moeder lekker warm in de bedstee gestopt, dik onder het veren bed. Meestal kwam de moeder al wel eerder op, maar op de negende dag moest ze weer het bed in ‘achter de gordijntjes’, anders kwam het niet goed. Zo tussen de geboorte en het dopen in de kerk kwamen ook de andere noabervrouwen op kraamvisite. Op het “Wievenmoal” werd eerst een glaasje brandewijn met rozijnen gedronken en later werd het krentenbrood op tafel gezet. De beide naaste buurvrouwen bedienden weer. De kleine baby werd uit bed gehaald en om de beurt bij elkaar op schoot gezet. Was het kind lastig dan deed men een beetje suiker in de tip van het wasseldoek (vaatdoek). Die werd dan in de brandewijn gedept en in de mond van de kleine gestopt, die vervolgens al gauw in slaap viel…

Kraamvisite
Als de gasten van de kraamvisite tegen de avond op huis aan gingen, zeiden ze tegen elkaar dat een het een “’n fienegien” (kleintje) of “dikk’n” (te dik) was of ook wel als het om de eerste kleine van het gezin ging “’t zal bi’j diss’n wel niet lange bliev’n”. Tot een week voor dat de kleine zou worden gedoopt bleef het druk in de houdhouding van de jonge ouders. Er kwamen meer mensen op kraamvisite. Noabers en ook familieleden uit wijde omgeving kwamen langs met paard en tentwagen. Iedereen had een flinke krentewegge onder de arm. Op kraamvisite gaan werd ook wel genoemd: “Met ’n kromm’n arm goan!”. De vrouwen gingen om de ronde tafel zitten of bij de warme haard. De kleine werd weer voor de dag gehaald en bewonderd. Verder werd de dag al etende en drinkende en pratende doorgebracht. Bij vertrek kreeg iedere brenger van een krentenbrood een stuk weer mee naar huis. Dan konden hun huisgenoten de krentewegge ook proeven. Voor de doopdag gingen de noabervrouwen de kraamvrouw nog eens aanspreken. Ze brachten dan in de regel voor 40 cent wittebrood mee, maar kregen hiervan voor 10 cent weer mee terug. Op de tafel kwam weer brandewijn en koffie met beschuit en wittebrood. ’s Morgens op de doopdag kwamen de buurvrouwen de kleine kleden. Was dit klaar, dan gingen de vrouwen gauw naar huis om zichzelf om te kleden, want ze moesten mee naar de kerk. Ze droegen het kind en brachten het in de kerkdienst naar de moeder. Na het dopen werd gewacht tot de kerk uit was en dan ging het samen weer op huis aan.

Begrafenis
Bij begrafenissen werd er meer van de buren gevraagd. Was er iemand goed ziek in de buurt, dan leefde de hele buurtschap mee. Als het moest werd de dokter door de noabers erbij gehaald. Was het zeker dat een noaber er niet meer bovenop kwam dan waren het de noabers die bij de stervende gingen waken. Als een man of vrouw overleden is krijgt de naaste buur bericht en deze boodschapt de andere buren, 5 of 6 in getal, die samen tot de noabers horen. Die noabers komen dan al heel gauw in het sterfhuis en in het achterhuis wordt overlegd wat er moet gebeuren. De overledene wordt afgelegd. Dat gebeurt door twee mannen of vrouwen, al naar gelang of de dode een man of vrouw is. Bovenuit het oude kabinet wordt het doodskleed gehaald dat daar al jaren op deze dag heeft liggen wachten. Bij het kisten van de overledene is de naaste familie ook aanwezig. De noabers op de deel hebben intussen een lijst gemaakt van de mensen die aangezegd moeten worden. En dan wordt overlegd wat verder gedaan moet worden. Wie moet de aangifte doen op het gemeentehuis en wie geeft de familie kennis van het overlijden. De “Groeveneugers” zorgen voor de uitnodiging op de begrafenis (de groeve). De buren nemen op zich de verder af wonende familie te berichten. Meestal komen ze dan bij de schoolmeester van de buurtschap uit om de briefkaarten te schrijven. Dan zijn er ook weer anderen belast met het bestellen van de kist die van eikenplanken gemaakt moet worden die al jaren in de hilde, de zoldering boven de stal hadden gelegen. Dan was er ook nog een oud gebruik dat bestond uit het geven van een stuiver bij de dood van een kind en een dubbeltje bij die van een volwassene. De stuivertjes en dubbeltjes werden ook door de buren opgehaald.

Bij de groeve
Bekendmaking aan de naaste familie mocht niet per brief gedaan worden, maar persoonlijk door de buren en dan nog wel tweemaal: de eerste keer het aanzeggen en de tweede keer het nodigen bij de groeve. Dan moeten de buren ook zorgen voor het verluiden van de dode. Het luiden van de oude klokken in Ommen gebeurde namelijk ook door de gezamenlijke bewoners van de buurtschap waar de overledene woonde. Ze krijgen daarvoor een fles jenever, op te drinken in de herberg en te betalen door de nagelaten familie van de overledene. Bij de begrafenis worden vooraf stoelen en tafels aangesjouwd. De buurvrouwen zorgen voor koffie, suiker, brood, kopjes, messen en wat er meer nodig is. In de keuken waar de naaste familie is gezeten worden alleen witte kopjes gebruikt. De maaltijd bestaat meest uit koffie met brood (stoete) en rijstebrij. Later is de rijstebrij vervangen door wittebrood. De gasten geven geld of ze brengen een stuk boter mee. Verder geeft iedere noaber nog 2 pond boter of de waarde daarvan in geld. Wat overblijft van de maaltijd krijgen de noabers weer mee naar huis.

Na de maaltijd spant de naaste buurman zijn paard voor de boerenwagen en wacht achter het huis. Op de deel wordt de grafkist los gemaakt om het lijk voor de laatste keer te zien. De noabers dragen dan de kist door de baanderdeuren naar buiten en zetten deze op de wagen. Door dezelfde deur is de nu gestorvene vroeger in de “broedwagen” (bruidswagen) binnen komen rijden. Langzaam zet de stoet zich in beweging op weg naar de dodenakker. De mannen lopen achter de wagen en de vrouwen zitten in de kleedwagens. Twee buren zijn al vooruitgegaan om de doodgraver te waarschuwen. Op het kerkhof dragen de noabers de baar. Na afloop gaan ze allemaal weer op het sterfhuis aan, waar het eten weer klaar staat. De noabers helpen nog met het opruimen. Iedereen gaat weer naar zijn werk maar in het sterfhuis blijft een lege plaats achter.

Bron: Harry Woertink – 7 januari 2022

1 Reactie »

• • •

1 reactie »