2 november 2019

Klederdracht ook in Ommen al lang voorbije mode (3)

Categorie: Harry Woertink, Oude gebruiken & tradities.    626 keer gelezen.

Tegenwoordig moet je er voor naar het museum, vroeger was het in het dagelijks leven gewoon te zien op straat, op de markt, in de kerk of bij bijzondere gebeurtenissen. Hoe de mensen in de achttiende- en negentiende eeuw in Salland gekleed waren.

 Werkmutsje van katoenen broderie en staande achterkant met plooien, een gehaakte rand en nopjesrand aan de voorkant en een grote strik.
Zie voor meer foto’s bij dit artikel.

Zondags
Vrouwen droegen een knipmuts, die bestond uit een wit kapje van tule met geborduurde bloemmotieven. Er werd altijd een zwarte- of donkerblauwe ondermuts gedragen om te voorkomen dat de witte muts snel vuil werd. Om een muts te wassen moest deze uit elkaar gehaald worden, met de hand gewassen, dan gesteven met Crack Free rijststijfsel, gestreken en opnieuw in elkaar worden gezet. Een gebloemde knipmuts met een los vallende achterstrook werd meestal alleen op zondag gedragen. Gaat het om een knipmuts met grote gekantkloste bollen dan is sprake van hoe beter het bestaan; zijn de omstandigheden minder dan hoe kleiner ook de bollen. Rond 1880 was nog sprake van kleine bollen maar ze werden met de jaren groter. Wie moeite had om zelf het lint om de muts te krijgen deed een zogeheten lintentuigje over de knipmuts heen, zodat de muts goed bleef zitten.

Verder droegen de vrouwen een zwart jak met lange mouwen, aan de voorkant versierd met kant en plooien. Gecombineerd met een zwarte rok met daar overheen een zwarte zijden schort. Onder deze rok droeg men 3 à 4 onderrokken en zwarte schoenen. Naast de zondagse kleding bezat men het ‘daagse uitgaanskostuum’. Geen werkkleding maar kleding die men droeg als ze doordeweeks van huis gingen. Men droeg dan een muts, ook wel troelamuts genoemd. Een katoenen muts versierd met kant met aan de voorkant een geplooid bandje. Op doordeweekse visites zoals buurt- kraam- en Nieuwjaarsbezoek werd een eenvoudige zogeheten visitemuts gedragen, ook wel troela genoemd. De bol van broderie-stof en een breed geplooide achterstrook. Een dubbel geplooide voorkant van twee stroken op elkaar en een grote strik. Hier ging men mee op visite of naar de markt, maar werd niet gedragen naar de kerk. Verder droeg men een blauw/wit jak, die met een schootje over de rok werd gedragen. Hieronder zat ook een zwarte rok met aan de onderkant een stootrand, waar overheen een blauw/wit geblokte schort werd gedragen. Men liep op wit geschuurde klompen. Bij koud weer werd er een omslagdoek gedragen en als tas droeg men een rieten spoormandje. Wanneer de knoop van het knoopdoek, dat de hals van de vrouw bedekte, naar beneden hing, dan was de vrouw vrijgezel; stond de knoop rechtop dan werd daarmee aangegeven dat de vrouw getrouwd was.

Rouw
Bij rouw was de achterstrook van de muts geplooid met brede of smalle plooien en werd gedragen als er een man, vrouw of kind was overleden of iemand in de naaste familie. Bij zware rouw werd in plaats van een gekantkloste muts een katoenen muts gedragen met daarover een zwarte rouw overhoed. Gedurende één jaar en 6 weken werd een zwarte overhoed gedragen. Daarna drie maanden een effen tule muts. Soms kwamen ouderen bijna niet uit de rouw door meerdere overlijdens. Bij lichte rouw werd wel een knipmuts gedragen maar dan zonder kant. Bij rouw werden gouden sieraden vervangen door zilveren of zwarte sieraden.

Bij de mannen verschilde de zondagse en daagse kleding niet zoveel van elkaar. Het zondagse kostuum bestond uit een lakense jas, daaronder een zwarte broek met klepsluiting. Een blauw/wit gestreepte boezeroen met daar overheen een befje en een vestje. Was men wat rijker, dan droeg de man een zilveren zakhorloge met ketting in het vestzakje. Zondags droeg hij zwarte schoenen en een zwarte pet. De daagse kleding is niet zoveel anders. Alleen het vestje gaat uit, het befje gaat af en natuurlijk loopt hij dan op klompen.

Dure aangelegenheid
Rijkdom, religie, rouw of vreugde kwamen in de klederdracht nadrukkelijk tot uitdrukking. Een knipmuts was een dure aangelegenheid. Zo’n 80 jaar geleden kostte het maken het niet geringe bedrag van 100 gulden. Om de kosten te drukken gebruikte men wel machinaal vervaardigde kant, maar toch was een muts pas echt met echte Vlaamse kloskant. Hoe breder het kantwerk aan de knipmuts was, hoe rijker men was, wat voortleefde in het gezegde: “Wie het breed heeft, laat het breed hangen”. De kantstrook varieerde van 8 tot 40 centimeter. Ook de bloemmotiefjes op de bol stond gelijk met de welstand van de draagster, die daar duidelijk voor uit wilde komen. Wie het niet zo breed kon laten hangen, droeg een zogenaamde “Halfbloemmusse”. Zelfs de fijnheid van de plooien in knippen was een graadmeter voor de financiële status van de bezitster. Aan de kleuren van de tule van de knipmuts kon je zien welk geloof beleden werd. Was dat crème of zachtgroen dan was sprake van het katholiek zijn.

Schort
Geen typisch klederdracht maar wel van vroeger is het schort beter bekend als “schölk”. Bij de dagelijkse werkzaamheden droeg de boerin vaak dit kledingstuk, zonder mouwen om de kleren te beschermen tegen vuil. De schölk was overal goed voor. Het ondereind iets opgerold konden er gemakkelijk geraapte eieren uit het kippenhoek in of het fruit uit de boomgaard en de oogst uit de moestuin. Kwam er onverwachts visite dan werd met de tip van de schölk de tafel snel even afgeveegd en de koffiekopjes schoongeveegd. Ook voor het afgieten van de gekookte aardappels was de schölk een ideaal hulpmiddel. Veel kinderen hebben uitgehuild in een schölk, hun oogjes gedroogd of de smoel gepoetst.

In het Streekmuseum in Ommen is een grote collectie Overijsselse klederdrachten geëxposeerd. De foto’s bij dit artikel zijn ook daar gemaakt.
Dit is het laatste deel van deze serie. De delen 1 en 2 zijn te lezen onder de volgende linken:
Klederdracht ook in Ommen al lang voorbije mode (1)
Klederdracht ook in Ommen al lang voorbije mode (2)

Bron: Harry Woertink – 2 november 2019

1 Reactie »

• • •

1 reactie »