8 juni 2019

Klederdracht ook in Ommen al lang voorbije mode (2)

Categorie: Harry Woertink, Oude gebruiken & tradities.    261 keer gelezen.

Hoe waren de mensen in de achttiende en negentiende eeuw gekleed in Salland. Tegenwoordig moet je er voor naar het museum, vroeger was het in het dagelijks leven gewoon te zien op straat, op de markt, in de kerk of bij bijzondere gebeurtenissen. Een serie over klederdrachten.

bremmer-1.jpg1930. Op de voorgrond: Hendrikje Bremmer-Volkerink uit Giethmen met dochter Mina in de Brugstraat op weg naar de wekelijkse warenmarkt. Moeder in daagse schort; de knipmuts heeft ze thuis gelaten. Dochter Mina (5) draagt een lijf-en-rok combinatie met pofmouwtjes met daarover een hoge schort in wat we nu noemen ‘Ot-en-Sien-stijl’.
Foto: Harry Woertink

Mannenmode
Bij de kleding moet onderscheid gemaakt worden tussen werk- en zondagse kleding en tussen kleding van boeren en burgers. Door de week draagt de boer een zwaar en donker manchester, waaronder een zwarte trui en blauwe kiel. Het aantal onderkleren is zeer groot; er worden veel gebreide borstrokken gedragen. ’s Zondags verandert de garderobe. Dan trekt de boer zijn zwarte lakensepak aan, waaronder weer de trui. De pijpen van de broek zijn kort en nauw. Het geheel wordt gecompleteerd door zwarte sokken, de mooie wit geschuurde klompen en zwartzijden pet. De lakense kostuums zijn zeer degelijk en het komt vaak voor dat de boer zijn gehele leven hetzelfde kostuum gebruikt. Van de diverse modevoorschriften trekken de boeren zich nagenoeg niets aan. Confectiekostuums zijn in de dertiger jaren nog niet in zwang. Ook niet bij jongere boeren. De magazijnen voor confectiekleding vinden daarom ook hun klanten voornamelijk in de stad en een enkele keer onder de meer „verburgerlijkte” boeren. Het zondagse kostuum wordt alleen gedragen op zon- en feestdagen, bij visite en andere uitgangsdagen.

Vrouwenmode
De vrouwen gaan even stemmig gekleed als de mannen. Veel ondergoed, meestal van degelijke kwaliteiten en zelf gebreid; daarover twee of drie lange, wijde rokken en een jakje. Verder dragen ze zwarte gebreide kousen en buitenshuis werkklompen. Door de week wordt altijd een bontgekleurd schort gedragen. Het witte kanten mutsje wordt alleen ’s zondags opgezet bij de kerkgang en bij feestelijke gelegenheden. Zodra de vrouw van de kerkdienst is thuisgekomen, zet ze de muts weer af. De garderobe valt te onderscheiden in kleding voor ‘uit de rouw’ en voor ‘in de rouw’, daagsekleding, zondagse kleding, opknappersgoed en gelegenheidskleding. Op zondag wisselt de kleding regelmatig: na het opstaan ’s morgens wordt de werkkleding aangetrokken om de beesten te voeren en de koeien te melken. Vervolgens gaat het ‘kerkgoed’ aan, de zondagse kleding. Direct na de kerkgang komt het opknappersgoed voor de dag en voor de tweede kerkgang op zondagmiddag wordt het kerkgoed weer aangetrokken. Na thuiskomst wordt deze kleding verwisselend voor het werktenue vanwege de verzorging van het vee. Tijdens de avonduren wordt weer het opknappersgoed gedragen en voor de nacht een nachtjapon.

Het op het land verbouwde vlas wordt na de oogst gehekeld, gesponnen en daarna op kleine huis-weefgetouwen geweven. Het linnengoed wordt bewaard in een groot eikenhouten- of wortelnoten kabinet. Van dit linnen wordt bijna alles gemaakt: hemden, schorten, lakens en slopen. Of zelf of door de plaatselijke kleermaker. Een bruid bracht vroeger een grote voorraad linnengoed mee als ze ging trouwen. Daar had ze in haar jeugd al hard aan gewerkt. Een paar weken voor het huwelijk werd alles in het kabinet gelegd en dat was haar trots. Hierin lagen de hemden en het beddengoed en meters opgerold linnen. Daar kon ze mee pronken, maar het was ook vooral om op de toekomst voorbereid te zijn. Later blijkt echter dat een en ander zelden wordt gebruikt en bleven de rollen onaangeroerd. Alleen wanneer iemand sterft wordt het linnen gebruikt om er een doodshemd van te maken.

Ook kinderen staken zich in volksdracht. Vaak kwam dat overeen met van wat de volwassenen droegen, met uitzondering dan van de hoofdtooi. Vanaf rond 1900 mogen de jonge meisjes van hun zestiende jaar een keuze maken tussen modieuze burgerkleding, waarbij een hoed hoorde, of de streekdracht met de knipmuts en typische streekdrachtsieraden. Veel ouders lieten de dochters vrij in hun keuze, ook al omdat de aanschaf van streeksieraden een flinke uitgave post voor de ouders was. Ook na 1945 is al een kentering zichtbaar in het dragen van klederdracht. De jongere vrouwen dragen de mutsjes niet meer. Vele boeren en vooral de jongelui worden beïnvloed door het contact met de mensen uit de stad. In een volgend artikel meer over klederdracht. Het eerste deel van deze serie is te lezen onder de link: Klederdracht ook in Ommen al lang voorbije mode (1)

Bron: Harry Woertink – 8 juni 2019

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image

U kunt afbeeldingen aan de reactie toevoegen door hier te klikken.