микрозаймы

25 maart 2014

Industrieel Erfgoed, de kalkovens in Dedemsvaart

Categorie: Gebouwen.    2.612 keer gelezen.

In de omgeving van Dedemsvaart werd vroeger veel turf gewonnen. De turf werd naar het westen van het land verscheept, via de Dedemsvaart naar Hasselt en over de Zuiderzee naar Enkhuizen en verder.

 Een schelpkalkoven is een oven in een kegelvormige toren, met een hoogte variërend van 15 tot 20 meter en een doorsnede aan de basis van meestal 5 tot 7 meter. Schelpkalkovens werden gebruikt voor de fabricage van metselkalk uit strandschelpen. Schelpkalkovens zijn doorgaans te vinden aan het water en staan vaak in groepjes. Tegenwoordig fungeert de kalkoven in Dedemsvaart als streekmuseum.
Foto: Bert van Os.

De turf werd in het westen afgeleverd bij een schelpkalkbranderij. Vervolgens werden aldaar schelpen gekocht (gewonnen) die dan weer als retourlading naar Dedemsvaart en Hasselt werden verscheept, zodat ook daar schelpkalk gebrand kon worden. De kalkovens in Dedemsvaart zijn een mooi voorbeeld van gerestaureerd Industrieel erfgoed.

Industrieel erfgoed in Nederland
De term “Industrieel Erfgoed” is vrij jong en werd vroeger “Industriële Archeologie” genoemd. Industriële archeologie is het registreren, in bepaalde gevallen behouden en het interpreteren van terreinen en structuren van voegindustriële activiteiten, vooral de monumenten van de industriële revolutie. In Nederland is deze term ook gebruikt, maar daarnaast kwam ook de term “monumenten van bedrijf en techniek” in zwang. Hierbij lag het zwaartepunt op het onroerend goed. Tegenwoordig is de gebruikelijke term: Industrieel Erfgoed”, waarmee zowel het onroerend (gebouwen) als het roerend erfgoed (machines e.d.) wordt aangeduid. In vergelijking tot de ons omringende landen is Nederland vrij laat gaan industrialiseren.

Normen en criteria
Een van de meest knellende vragen is op grond van welke normen en criteria een gefundeerde beslissing over het behoud van een monument in de zin van industrieel erfgoed kan worden genomen. Los van de officiële formulering van het begrip monument zal in het denken over monumenten de traditionele koppeling aan iets dat mooi is, iets dat schoonheid uitstraalt, gerelativeerd moeten worden. De oorspronkelijke notie van het begrip monument, n.l. “gedenkteken” verschaft hiertoe de aanknopingspunten: voor een object, waaraan een waarde als gedenkteken wordt toegekend, is het minder relevant of het mooi is: een gedenkteken aan een donkere bladzijde uit de geschiedenis (sociaal-economisch, architectonisch) kan zelfs naar gangbare opvattingen uiterst lelijk worden bevonden zonder iets aan de waarde als monument te verliezen.

Er kunnen in dit verband tal van criteria worden onderscheiden, zoals:

  • herinneringswaarde, herkenningswaarde of symbolische waarde.
  • esthetische waarde: schoonheid, boeiende vormgeving, maar ook de waarde voor de omringende omgeving.
  • educatieve, museale waarde: visualisering van het verleden.
  • zeldzaamheidswaarde.
  • gebruikswaarde: voor een recreatieve of andere bestemming.
  • economische waarde.
  • wetenschappelijke waarde: als bron voor studie en als bewijsmateriaal om controle van onderzoek- interpretaties mogelijk te maken.

Behalve misschien het laatstgenoemde criterium, kunnen en mogen deze criteria nooit objectief” van bovenaf worden vastgesteld, maar moet deze beoordeling vooral in handen worden gelegd van de plaatselijk betrokkenen. Alleen zij kunnen recht doen aan de grote verscheidenheid in plaatselijke en regionale cultuurpatronen. In concrete situaties zullen argumenten voor behoud dan ook steeds in een wisselende verhouding van elkaar staan.

Opvallend is dat in het midden van de jaren zestig de theorievorming rond de conservering en restauratie van het roerend en die van het onroerend erfgoed nog dicht bij elkaar liggen. De navolgende jaren blijken monumentenzorg en museumwezen steeds verder uit elkaar te groeien. Kenmerkend is overigens dat de theorievorming sterk zo niet uitsluitend, kunsthistorisch bepaald is en dat dit niet de meest geëigende benadering is. In de context van techniekgeschiedenis wordt een industrieel voorwerp niet primair beoordeeld op basis van zijn esthetische waarde. Juist andere aspecten zijn hier belangrijk.

De noodzaak om de uitgangspunten van conservering en restauratie opnieuw te doordrenken dringt zich op een bijna beklemmende manier op als we geconfronteerd worden met het jongste industriële erfgoed. De technische en inhoudelijke problemen van het behoud van computers en computergestuurde machines zijn nog nauwelijks in kaart gebracht. De sterk toegenomen omloopsnelheid in de techniek maakt de problemen alleen maar groter. Een reddingsplan modern industrieel erfgoed lijkt urgent. Het is interessant te constateren dat deze problemen in wezen niet anders zijn dan die in de werelds van de moderne kunst.

Het proces van herwaardering
Door schaalvergroting, nieuwe productieprocessen en concurrentie met lage lonen landen in de jaren zestig is het wereldhandelsverkeer zo veranderd dat de nadruk in Nederland niet meer ligt op productie maar meer op dienstverlening, transport en logistiek. Hierdoor verdwenen een groot aantal traditionele bedrijven of bedrijfstakken.

De vondst van aardgas in Noord-Nederland had tot gevolg dat de mijnen in zuid Limburg moesten gaan sluiten. Ook in de textiel zagen we een snelle sluiting van de fabrieken in Twente, Limburg en Brabant. In deze snelle tijd van veranderingen, in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, zien we een grote herwaardering ontstaan van voortbrengsels uit de negentiende eeuw, zoals gietijzeren bruggen, vuurtorens, watertorens en stoommachines. Van een brede interesse was echter nog geen sprake. Zelfs de overheden en de instanties die zich met Monumentenzorg bezighielden, besteedden weinig aandacht aan dit type van monumenten.

Midden jaren zeventig werden de eerste vuurtorens, stationsgebouwen en gemalen op de rijksmonumentenlijst geplaatst maar het terrein van het industriële erfgoed bleef een gebied waarop het particulier initiatief zich actief betoonde. Maar inmiddels heeft de overheid ook ingezien dat het hier gaat om een categorie van objecten die onmiskenbaar een onderdeel vormen van het Nederlands cultureel erfgoed.

Authenticiteit in algemene zin
Authenticiteit is een van de ingewikkeldste begrippen in de museologie. Een definitie van het begrip is moeilijk te geven. Het beste laat zich authenticiteit zich uitdrukken als “de oorspronkelijkheid en echtheid van de oude materialen en constructie”. Het begrip authenticiteit brengt onze behoeftes in verband om middels een historisch voorwerp een bijna fysiek contact te hebben met het verleden. Dit authenticiteitgevoel berust op zintuiglijke ervaring van de substantie en vooral van de historische gegroeide verschijningsvorm “het patina”: “Een restauratie die een oud gebouw als nieuw oplevert maakt het verleden dood”.

De paradox van de authenticiteit wordt nu duidelijk. Enerzijds verwijst authenticiteit naar de feitelijke identiteit, d.w.z. het geheel van kenmerken op het moment van ontstaan. Anderzijds verwijst het begrip naar de actuele identiteit, d.w.z. zoals het voorwerp er nu uit ziet (van der Woude, 1996). Nicole Ex definieert meerdere soorten authenticiteit, die zij baseert op gedachten van David Lowenthal en Ernst van de Wetering, in haar boek “Zo goed als oud”.

Zij onderscheidt materiële, conceptuele, contextuele en functionele, ahistorische en historische authenticiteit. Helaas geeft zij, ondanks haar verdeling in verschillende soorten authenticiteit, geen enkele definitie van het begrip. In de literatuur lijkt meer belang gehecht te worden aan de materiële authenticiteit dan aan andere aspecten van een kunstwerk. Nicole Ex maakt het in haar boek “Zo goed als oud”, onnodig ingewikkeld. In ons moderne spraakgebruik kan alleen de materiële substantie authentiek zijn en niets anders. Een replica kan dus nooit authentiek worden genoemd.

Conserven en dynamisch (werkend) behoud
Musealisering betekent een ingreep in de informatiewaarde van een voorwerp. De context verandert, functie en betekenis veranderen, en vaak verandert ook iets ten aanzien van de materiële aspecten. Conserveren is in de eerste plaats het maken van een keus, namelijk wat is aard en de mate van verandering die we accepteren? Met andere woorden: welke informatiecategorieën willen we vasthouden? Conservering is handelen, gericht op het vertragen of voorkomen van verval van of schade aan cultuurgoederen door beheersing van hun omgeving en/of behandeling van hun structuur, teneinde zoveel mogelijk in een niet veranderende toestand te houden. Het tonen van industrieel erfgoed in werkende staat is niet iets van de laatste jaren. Al in de eerste decennia van de 20e eeuw werd er door het Science Museum in Londen zo veel mogelijk naar gestreefd om machines e.d. in werkende staat te tonen. In de eerste plaats omdat dit instructiever en attractiever was voor het publiek.

Bij functioneel behoud hebben we te maken met de zelfde vraag als bij materieel behoud: conservering of restauratie. Brengen we de eenheid tussen structurele identiteit en de functionele identiteit terug zoals die bestaan heeft vlak na het ontstaan van het object of gaan we uit van de situatie op het moment zelf? Potentieel dynamisch behoud vereist voortdurend onderhoud, vergelijkbaar met de regelmatige service beurten van machines e.d. in hun oorspronkelijke gebruikscontext. Olie verversen en doorsmeren behoren tot de normale routine. Een bijzonder probleem is de zorg voor verschijningsvorm. Behoort het oppoetsen en schilderen ook tot het normale onderhoud in de museale context? Met een werkende stoomlocomotief kan een spoorlijn geëxploiteerd worden. Met een historisch vliegtuig zoals een oude DC3 van de Dutch Dakota Association (DDA) kunnen prachtige rondvluchten gemaakt worden geheel in stijl met de grandeur van vroeger.

Een toegenomen professionalisering
Om de toegenomen belangstelling voor industrieel, roerend technisch en mobiel erfgoed te kanaliseren, te faciliteren en te professionaliseren is eind 2000 het Centrum voor Industrieel en Mobiel Erfgoed opgericht (CIME). De Federatie voor Industrieel Erfgoed Nederland (Fien) en de Federatie Oud Nederlandse Vaartuigen (FONV) en de Mobiele Collectie Nederland (MCN) zijn als participant toegetreden. Onder de auspiciën van het CIME is in 2004 een rapport uitgegeven: “De kunst van het bundelen”om de aanvraag voor de Cultuurnota te ondersteunen. De staatssecretaris heeft gemeend het CIME geen subsidie te moeten verlenen in de afgelopen jaren.

Hoe nu verder met ons industrieel erfgoed?
De afgelopen decennia is veel industrieel erfgoed verdwenen. Sommige gemeentelijke diensten bleken, onder druk van economische wensen en het ruimtelijk beleid niet in staat een verantwoorde invulling aan hun behoudstaak te geven en te gemakkelijk een sloopvergunning af te geven. De laatste jaren blijkt echter steeds meer het belang van het behoud van Industrieel Erfgoed door te dringen bij de belanghebbenden. Daarnaast vinden steeds meer bedrijven het aantrekkelijk om in bijzondere ruimten hun kantoor te vestigen. Daardoor wordt het economisch ook steeds aantrekkelijker dergelijke projecten te herbestemmen. Niet alles kan behouden worden, maar het feit dat er niet meer altijd als eerste aan sloop gedacht wordt is al een hele verbetering. Het blijft echter wel belangrijk om de ontwikkelingen op het gebied van o.a. welstandsbeleid en (woning) bouwquota goed te volgen om er voor te zorgen dat industrieel erfgoed tijdig in de bestemmingsplannen wordt ingepast.

Verder is het ook belangrijk dat bestaand “erkend” industrieel erfgoed ook een nuttige functie vervult en niet alleen staat “mooi te wezen”. Verantwoord gebruik bevordert behoorlijk onderhoud en het lokale draagvlak. Voor het lokale draagvlak dienen argumenten gezocht te worden door historisch onderzoek die via publiciteit de opinie gunstig kunnen beïnvloeden. Verder zullen we het industrieel erfgoed moeten benaderen vanuit de functionele identiteit, zonder overigens het respect voor materiële integriteit geheel op te geven. Gepleit wordt voor een samenwerkingsmodel van instellingen die zich bezig houden met het behoud van het industrieel erfgoed.

Bronvermelding:
– Ex, N.,1993. Zo goed als goud. De achterkant van het restaureren. Amsterdam.
– Kouwe van C., 2006. Van reproduceerbare authenticiteit of authentieke reproductie. Universiteit, Utrecht.
– Manning, A.F. & M. De Vroede, 1981. Spectrum Atlas van Historische Plaatsen in de Lage Landen. Spectrum, Utrecht.
– Mensch van P., 1996. Een restauratiefilosofie voor roerend industrieel erfgoed. Euregionaal congres ”Lood om oud ijzer”. Sittard.
– Nijhof, P., 1978. Monumenten van bedrijf en techniek, Industriële archeologie in Nederland. Walburg Pers, Zutphen.
– Historische Vereniging Avereest (website).

Willem Bemboom (archeoloog) – 25 maart 2014

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image