18 augustus 1953

In Ommen is nog een touwslagerij

Categorie: Algemeen.    8.875 keer gelezen.

Een ambacht dat bijna geheel verdrongen is

Het beroep van touwslager roept herinneringen op aan Michiel de Ruijter, die als jongen de ganse dag aan het grote wiel stond te draaien op de lijnbaan. Een geestdodend werk, waarvoor wekelijks enige stuivers werden betaald. Berend van der Vegte te Ommen weet hier van mee te praten, want ook hij bracht zijn jeugd door aan het wiel op de lijnbaan. Maar verder gaat de vergelijking met de grote admiraal niet op, want leed deze ondragelijke smart, bij Berend lag het anders. Hij had namelijk zijn hart verpand aan dit beroep, evenals zijn vele voorvaders. Want sinds eeuwen wordt dit verdwijnende ambacht door dezelfde familie beoefend. Het is zelfs niet na te gaan welke Van der Vegte er mee begonnen is. Omstreeks het begin der 18e eeuw raakt men het spoor bijster.

Dit neemt echter niet weg, dat Berend als jongen vaak liever met zijn kornuiten ging spelen en het hazenpad koos. Maar anderzijds had de lijnbaan op hem een magische aantrekkingskracht. Hij werd dan ook een waardig opvolger van zijn vader en oom, terwijl nu Gerrit Jan gereed staat om het bedrijf over te nemen, dat in 1845 te Ommen gevestigd werd. Tot voor kort werd alles nog met de hand gedaan, ook het garen spinnen. Maar de tijd ging ook hier niet ongemerkt voorbij en gedeeltelijk wordt nu machinaal gewerkt. Van der Vegte prefereert het handwerk, omdat dit z.i. meer voldoening geeft. Maar deze methode is thans niet economisch verantwoord meer. Het twijnen (samenbundelen der draden) geschiedt echter nog voor een gedeelte op de lijnbaan, speciaal voor leidsels en touw van grote afmetingen. Aanvankelijk kwam de hennep via Duitsland uit Rusland en moest dan eerst gehekeld worden (dit is zuiveren van hout en korte vezels). Een vrij moeilijk en ingewikkeld werk, waarin vooral Berend’s vader zeer bedreven was. Daarna kon begonnen worden met het spinnen, waarbij vroeger ook een draai-jongen nodig was.

Wanneer deze knapen echter niet goed opletten, brak het garen af. Dit bracht weer extra onnodig werk mee. Daarom verdwenen de jongens en bracht men het wiel door trekken in beweging. Alleen bij het twijnen bleef deze „mankracht” in functie. Wanneer van alle soorten voldoende voorraad was, ging men met de kruiwagen de boer op om de waren uit te venten. De touwslager is grotendeels op de landbouw aangewezen. De boer heeft voor velerlei doeleinden touw nodig; vooral koetouwen worden veel gebruikt. Die tochten langs de boerderijen waren beslist geen wandelingen en afstanden van 50 kilometer waren geen uitzondering. Over de voeding maakte men zich geen zorgen; de Sallandse boeren zijn gastvrij en vaak kon men bij de maaltijd aanschuiven. En anders kocht men 16 eieren voor een dubbeltje! Bovendien werden de weekmarkten in Ommen en Hardenberg bezocht, een traditie die nog steeds wordt voortgezet.

Door de steeds verder gaande mechanisering is het beroep van zelfstandig touwslager een unicum geworden. De concurrentie is veel groter, maar desondanks kan Van der Vegte op zijn vaste afnemers rekenen. Vooral in de crisisjaren omstreeks 1930 was deze concurrentie moordend. Toen verschenen er zelfs standwerkers op de markt met koetouwen. Omtrent de toekomst is Van der Vegte gematigd optimistisch. Door de verdere mechanisatie in de landbouw, neemt het touwverbruik af. Landelijk is de omzet reeds iets gedaald. Om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn, gaat de zoon ook het zadelmakersvak leren, want de paarden zullen nooit geheel van de boerderijen verdwijnen. Wat de financiële uitkomsten betreft is ons wel duidelijk geworden, dat men als touwslager niet rijk kan worden. Met heel hard werken, vooral in de herfst wanneer de koeien op stal gaan, kan men een goede boterham verdienen, maar meer ook niet. Zo draait de touwslagerij te Ommen op volle toeren door en trekt de belangstelling van vele toeristen, die het woord “touwslager” slechts kennen uit geschiedenisboekjes.

Bron: Archief Jan Lucas – datum artikel: 18 augustus 1953


Correcties op het artikel door Gerrit Jan van der Vegte, de zoon van de Ommer touwslager Berend van der Vegte

3e alinea
Hier staat o.a.: Hij werd een waardig opvolger van zijn vader en oom.
Dit moet zijn: Hij werd een waardig opvolger van zijn (ongetrouwde) oom Hermannus Johannes van der Vegte.
Hermannes Johannes was van beroep touwslager. De vader van Berend van der Vegte (touwslager) was Jan van der Vegte, die landbouwer en veehouder was. Hij had enkele landerijen en weiland in zijn bezit. Hij hield twee koeien. Men kan hem aanmerken als keuterboer.

4e alinea
Hier staat o.a. Een vrij moeilijk en ingewikkeld werk, waarin Berend’s vader zeer bedreven was.
Dit moet zijn: Een vrij moeilijk en ingewikkeld werk waarin Berend’s oom (Hermannus Johannes) zeer bedreven was.
Berend van der Vegte (touwslager) kwam op 11 jarige leeftijd bij zijn (ongetrouwde) oom en (ongetrouwde) tante Gerridina in huis. Hij werd knecht van zijn oom om het vak touwslager van zijn oom te leren. Kinderarbeid was in 1914 toen nog een normale zaak. U kunt een en ander ook terug vinden op pagina 189 van het boek Ommen rond de 19e eeuw van G. Steen.

Ter verduidelijking, ik ben de zoon van Berend van der Vegte, de Ommer touwslager. Het was de bedoeling dat ik mijn vader zou opvolgen want de liefde voor het touwslagersvak zat wel in mij en nog steeds. Na een vol jaar volledig te hebben meegedraaid kwamen we tot de conclusie dat er toch geen toekomst in het touwslagervak meer was. We hebben toen het besluit genomen er mee te stoppen. Ik ben toen een geheel andere richting opgegaan. Dat de vader van mijn vader als touwslager aanmerkt is niet geheel onbegrijpelijk. Zij woonden vanaf 1934 naast elkaar en hielpen elkaar over en weer. Dat was in die tijd zeer gebruikelijk.

Bron: G.J. van der Vegte – 12 januari 2011

8 Reacties »

• • •

8 reacties »