микрозаймы

1 maart 2014

Gerrit Hendrik Woertink (1880-1956) – een eeuwenoude Ommer familienaam

Categorie: Harry Woertink.    13.677 keer gelezen.

Over de herkomst, de familienaam en de stamboom van de familie G.H. Woertink en over de Gasthuisstraat in Ommen door Harrij Woertink.

 Familie Woertink tijdens een familiereünie op 1 maart 2014 (Vergroting: link, meer foto’s van de reünie aan het eind van dit artikel).
Foto: OudOmmen

Woertink eeuwenoude familienaam in Ommen
De naam Woertink komt al sinds heugenis voor in de buurtschap Arriën. Woertink is dan ook een van de oudst voorkomende familienamen in Ommen. Over het ontstaan van de naam, de nazaten en over de buurtschap Arriën gaat deze bijdrage. Ooit heeft de familie Woertink – die verderop in dit verhaal wordt besproken – gewoond op erve Ridderink aan de huidige Ridderinkweg 4 in Arrën. Opmerkelijk is dat vier generaties Woertink de voornaam Gerrit Hendrik hebben. In dit verhaal zijn honderden naamgenoten, die hun wortels in Arriën hebben liggen niet genoemd. Dat is aan iemand anders die dit nog eens gaat oppakken in het ontrafelen van de geschiedenis van zijn of haar familie.

“Woert” plus “ink” = Woertink
Overijssel maakte tot 1528 deel uit van het bisdom Utrecht en werd ook wel het Oversticht genoemd. De bisschop was zowel geestelijk als wereldlijk heer. Na 1528 kwam de soevereiniteit over Overijssel aan de vorsten uit het Habsburgse Huis, eerst Karel V en later Philips II. Na de eerste periode van de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648) kwam die soevereiniteit tenslotte aan de Staten van Overijssel. Al deze soevereinen traden op als leenheer. In de leenkamer vond de administratie plaats van de overgang van het bezit van de lenen. De archieven van de leenkamers zijn bewaard gebleven in respectievelijk het Utrechts Archief voor de bisschoppelijke periode en in het Rijksarchief in Overijssel voor de periode 1528 – 1805. In de Overstichtse en Overijsselse leenprotocollen (of: leenregisters) staan de overgangen van bezittingen (of: belening) opgetekend, over een periode van meer dan vier eeuwen. Dit alles uit een periode waarin andere bronnen van informatie over onroerend goed en personen relatief schaars zijn. Het register kent de volgende aantekening van een overgang in Arriën, toen aangeduid als Erien of Eryen: “Die Woert tot Erien mit horen toebehoren — in Ummer kerspel gheleghen.” Daarmee is gelijk de familienaam Woertink verklaard: “Woert” van het bezit van de hoeve in Arriën en de toevoeging “ink”, De “ink” en ook “ing” dateert uit vroeg Germaanse tijden en had de hoofdbetekenis “behorende aan”, maar het kan ook uitgelegd worden als “zoon van”. We zien dat terug uit tal van achternamen. Het is niet specifiek Oost-Nederlands, maar kwam in het gehele Germaanse taalgebied voor, vooral in het Oud-Saksische en Angelsaksische deel. De betekenis van de naam “woert” kan uitgelegd worden als een erf wat op een verhoging ligt. Niet toevallig gezien de op korte afstand gelegen rivier de Vecht.

 Kadasterkaart 1832 Arriën
Afb: Harry Woertink

Arriën
De buurschap Arriën is van oorsprong een esdorp, met akkers op de hoge es tussen de Vecht en de buurschap en graslanden op de lager gelegen marsgronden. Later was sprake van de Marke Arriën. Op de hogere zandruggen langs de Vecht ontstonden al gauw buurschappen met een sterk gemeenschapsgevoel. Al vanaf 1381 is sprake van de buurschap ‘Eryen’ of ‘Erien’, dat later ‘Arriën’ wordt. Een buurschap wordt gezien als de oudste lokale organisatievorm. Vaak is in buurschappen sprake van noaberschap, waar men elkaar bijstand bood bij geboorte, huwelijk, ziekte of dood, maar ook praktisch te hulp schoot bij de oogst of schade. Eeuwenlang waren er ongeschreven wetten, maar naarmate de bevolking toenam ontstond een organisatie, de marke. De marke regelde het gebruik van de gemeenschappelijke gronden. Zij hadden hun eigen rechtspraak met een markerecht. Daarin werd het gebruik van de woeste gronden geregeld, zoals het hakken van hout, de voor- en naweide, het weiden van varkens op eikels in het bos, de veedrift en het schutten van vee. Een keer per jaar werd een markevergadering of holtsprake gehouden onder voorzitterschap van de Markerichter. In Arriën was dat op de Brink, de eerste werkdag na de Ommer Bissingh. De Markerichter van Arriën was tot 1817 de eigenaar van erve Ridderinck en later de erfgenamen. In 1839 had Arriën 180 bewoners en ook nog een schooltje. In 1853 kwam een einde aan de Marke Arriën toen de verkoop en verdeling onder de gebruikers was voltooid.

 Erve Ridderinc
Foto: OudOmmen

Ridderinc
De erve Ridderinc wordt voor het eerst genoemd op 29 december 1393: “Rembold van Eryen. Dat erve ende guet toe Ridderinc tot Eryen mit zynen toebehoren in den kerspel van Ommen”. De naam van deze boerderij met monumentale schaapskooi aan de Ridderinkweg 4 werd later afgekort tot “Ridderboer” en op de kaart van het Kadaster in 1832 wordt de boerderij “Ridderink” genoemd. Een ridder van het Ridderschap heeft hier echter nooit gewoond. Het is waarschijnlijker dat het hier een vrije boer betrof die zoveel macht had dat mensen in moeilijke tijden voor hem diensten verleenden in ruil voor bescherming. De onderhavige familie Woertink moet door vererving de overstap gemaakt hebben van Erve Woertink naar de erve Ridderinc. Van deze Woertink’s was Geesje Woertink de laatste bewoonster van de Ridderinc. Zij overleed te Ambt-Ommen op 15 februari 1906. Geesje trouwde in 1865 met Gerrit Woertink, die echter in 1881 overleed. Daarna trouwde Geesje opnieuw. Dit keer met Gerrit Nijenhuis. De uit dit huwelijk geboren dochter Jennigje Nijenhuis trouwde in 1904 met Hendrik Veurink en zij gingen samen op de boerderij “Ridderboer” wonen. Later werd de boerderij bewoond door de zoon Gerrit Jan Veurink en de tot “Ridderinkhof” omgedoopte boerderij wordt thans bewoond door Gerrit Jan Veurink junior. De toevoeging hof is overigens niet juist. De boerderij valt onder monumentenzorg. De erve Woertink aan de Ridderinkweg 2 in Arriën wordt nog steeds bewoond door een familie Woertink.

Kerkgeschiedenis
In de boerderij van de toen weduwe Hendrikjen Woertink-Gerrits Hofmeijer (zie hierna sub II) aan de Ridderinkweg 4 (erve Ridderinc) werd op 11 december 1835 de Afgescheiden Gemeente van Ommen (de Gereformeerde Kerk) gesticht, als afscheiding van de Hervormde Gemeente. De eerste dominee was ds. A.C. van Raalte met als eerste diaken landbouwer Albert Woertink, bakker Evert A. Dangremont en landbouwer Jan Schepers. De eerste ouderlingen van de afgescheiden gemeente waren voerman Jan Bosch, arbeider-dekker Derk Jan Kleinjan en landbouwer Jannes Jaspers.

Volkstelling
In augustus 1748 zijn in opdracht van het gewestelijk bestuur alle inwoners van Overijssel geregistreerd. De gegevens waren bedoeld voor een nieuw belastingstelsel dat echter nooit is ingevoerd. Tijdens de registratie werden per huisgezin genoteerd: de namen van het gezinshoofd (meestal de man), van de vrouw, van de kinderen boven de 10 jaar, van de kinderen onder de 10 jaar, van inwonende knechten, dienstboden en kostgangers. De volkstelling van 1748 vermeldt bij de familie Woertink in Arriën en dan hebben we het over de boerderij thans Ridderinkweg 2 het volgende:

 Afb.: Harry Woertink

’t erve Woertink
Berent Woertink en sijn vrouw Jannigje Willemse
5 kinderen
Willem, Geesjen en Hendrik boven de 10 jaren
Margje en Grietje onder de 10 jaren
Bij inwonen Lubbigje Claasen met 1 kind Egbert onder de 10 jaren
1 knegt Lubbert Jansen
En nog een oude vrouw Grietje Jansen over de 90 jaren oudt

Wie goed de aantekeningen van toen bestudeert ziet dat “Woerdink” abusievelijk met een “d” geschreven is; echter alle schrijfwijzen daarna zijn “Woertink” met een “t” overeenkomstig eerder genoemde “Woert”.

Naamgeving
De op de boerderij ’t erve Woertink geboren dochter Geesje Berentz Woertink trouwt twee keer; haar beide echtgenoten noemen zich Woertink, genoemd naar de naam van de boerderij. De eerste keer trouwde Geesje met Albert Rutgers, zoon van Rutger Hierink en Fennigje Leverts, die in Zeesse woonden en de tweede keer met Jan Roelofs, zoon van Roelof Jans Reinders en Anna Berents van ’t erve Reinders te Arriën. De doorgaande nazaten komen uit het eerste huwelijk. Vóór 1811 hadden vele Overijsselaars geen vaste familienaam. Men gebruikte een patroniem, een achternaam ontleend aan de voornaam van de vader, die dus veranderde bij elke generatie. Ook was het gebruikelijk een naam te ontlenen aan de boerderij of veldnaam waar men woonde; deze namen wijzigden dus bij verhuizing. Op grond van decreten van keizer Napoleon uit 1811 en 1813 waren alle inwoners verplicht hun achternamen te laten registreren. Wie geen vaste achternaam had, moest er één aannemen en daar een akte van laten opmaken. Gedurende de jaren 1811 tot mei 1923 was in Ommen sprake van de gemeenten Ambt-Ommen en Stad-Ommen. Kadastraal is dat nog steeds zo.

 Bij slagerij Meijer de Haas in de Brugstraat werd in 1921 door boeren een beste stier afgeleverd. Links op de foto de eigenaren J.- en A. Meesters uit Dedemsvaart. Daarnaast E.J. Makkinga, K. Schuurman, E. Siero, J. van Engelen en helemaal rechts Gerrit Hendrik Woertink.
Foto: Harry Woertink

Pagina's: 1 2 3

4 Reacties »

• • •

4 reacties »