микрозаймы

7 mei 2008

Een palynologisch onderzoek in het Hunze- en Reestdal

Categorie: Algemeen, Informatiebronnen, Wetenschappelijke artikelen.    10.367 keer gelezen.

Overal in het landschap is te zien hoe de eeuwenlange verwevenheid van mens en omgeving tot zeer gevarieerde natuurwaarden heeft geleid…………

Om een goed beeld te krijgen van landschapsconstructies is het belangrijk om te kijken naar de paleografische reconstructies van Nederland in de verschillende ouderdom fases. Het beeld van een landschapsreconstructie aan de hand van pollenanalyses kan ons belangrijke informatie verschaffen over de eerste flora en fauna in het Preboreaal, de vroeg menselijke bewoning en de eerste vormen van akkerbouw en veeteelt. Pollenanalyses zijn ook belangrijk voor klimaatonderzoeken omdat klimaatsveranderingen grote gevolgen voor de samenleving met zich meebrengen. Om het klimaat in de toekomst te voorspellen moeten we onderzoek doen naar het klimaat in het verleden. Pollenanalyse is een methode om klimaatsveranderingen te bepalen.

Palynologie of pollenanalyse werd aan het begin van de 20e eeuw ontwikkeld door de Zweedse geoloog Lennart von Post. Het gaat om een hulpwetenschap die zeer bruikbaar is in de archeologie en klimatologie. Pollen blijven over het algemeen beter bewaard dan andere organische resten. Pollenanalyse maakt een gedetailleerde reconstructie mogelijk van de vegetatie en van veranderingen in de vegetatie. In de beginperiode werd de palynologie of pollenanalyse vooral gebruikt als relatieve dateringsmethode, totdat de C-14 datering (vanaf 1978 wordt AMS-datering gebruikt) en isotopenchronologie werden ontdekt.

Fig1-Stuifmeelkorrels.JPGFig. 1. Stuifmeelkorrels onder een elektronenmicroscoop (bron Wikepedia)

Het oerstroomdal van de Hunze en Reest is ontstaan door terugtrekking van landijs. Het smeltwater van dit ijs vormde het uiteindelijke stroomdal. Rivierzanden vulden later grote delen van dit stroomdal. Door infiltratie van regenwater op de Hondsrug wat lokaal opkwelde, ontstonden dikke hoogveenpakketten. De Waddenzee brak later van tijd tot tijd door en liet een laag klei achter zodat hier en daar klei-op-veen gronden ontstonden. Door inklinking van het veen en mineralisatie is de hoeveelheid veen in de laatste decennia flink teruggelopen. Ook door veenontginning is veel hoogveen verdwenen. De Hunze heeft haar watervoerende functie voor een groot deel verloren. Het middendeel van de huidige Hunze stroomt nu in omgekeerde richting. Dicht bij de rivier zijn zand en kleipakketten afgezet, wat verder weg lagen de veenpakketten. Doordat deze zijn afgegraven, is het reliëf op die plaatsen verlaagd.

Het Hunzedal, het stroomgebied van de Hunze of Oostermoersche vaart, beslaat grofweg de driehoek tussen het Zuidlaardermeer in het noorden, de Hondsrug in het westen en de Veenkoloniën in het oosten. In Hunze- en Reestdal zijn de verschillende landschapszones en hun onderlinge relaties nog uitstekend waarneembaar en vormen zij nog altijd een geheel.

De Hondsrug als groene wal in het westen, overlopend in een open beekdal met grillig verkavelde hooilanden aan weerszijden van de Hunze. In dit Hunzedal zijn een aantal boringen verricht voor de bestudering van de vegetatiegeschiedenis aan de hand van pollenanalyses. Op de TNO kaart van het ‘Project Midlaren’ zijn 21 boringen aangegeven in het meandergebied even ten zuiden van het Zuidlaardermeer. Golvende laagjes afzetting duiden op een waterafzetting.Vroeger meanderde de rivier de Hunze door dit gehele gebied en mondde, evenals nu, uit op het Zuidlaardermeer. In 4200 BP stond de rivier de Hunze in open verbinding met de Waddenzee en heeft zich in de loop der eeuwen herhaaldelijk verlegd. Het kleidek is in de Romeinse tijd afgezet.


1. Landschap in ruimte en tijd.

Pollenanalyse wordt al jaren toegepast bij het opstellen van relatieve chronologieën en in de ecologische prehistorie. Hoewel de techniek primair werd ontwikkeld voor de relatieve datering van natuurlijke lagen, wordt er in toenemende mate gebruik gemaakt om veranderingen in het leefmilieu van de mens aan te geven. Het gaat hierbij om veranderingen die zowel door de natuur als door mens zelf teweeg zijn gebracht. De stuifmeelkorrels van bomen, heesters, grassen en bloemen worden onder anaërobe omstandigheden en in zure bodems geconserveerd, daar de buitenste mantel van een korrel zeer elastisch is. De buitenste mantel van stuifmeel ‘de exine wand’ is opgebouwd uit sporopollenine, een stof die zeer goed bestand is tegen biologische en chemische afbraak. Hierdoor kan stuifmeel, onder bepaalde omstandigheden, zeer lang, soms voor duizenden tot zelfs miljoenen jaren bewaard blijven in de bodem. De anaërobe omstandigheden zijn ideaal voor de bewaring van afzettingen die onder water gevormd zijn, afgesloten van de zuurstof uit de atmosfeer (Champion, 1980).

Door middel van een boorkern kunnen monsters worden genomen uit bepaalde afzettingen. Ook kunnen monsters worden genomen van de afzonderlijke lagen in een profiel op een opgraving, waarbij steeds een bepaalde afstand wordt aangehouden. De percentages van de verschillende soorten in elk monster worden vastgelegd in een pollendiagram. Door een vergelijking van de pollendiagrammen voor de verschillende niveaus van één afzetting kunnen veranderingen in de percentages van de soorten worden waargenomen; deze duiden dan weer op veranderingen in het milieu. Als dateringsmethode wordt de pollenanalyse gebruikt om de verschillende zones van boomvegetatie vast te stellen. Deze zones corresponderen met klimaatveranderingen. Wanneer voorwerpen of hele nederzettingen kunnen worden gerelateerd aan een veenlaag, zouden zij door de pollenzone temporeel kunnen worden geplaatst in een klimaatsperiode, bijvoorbeeld een interglaciaal. Met de ontwikkeling van de C14-methode werd het belang van de pollenanalyse voor dateringdoeleinden minder. Door voortgaande bestudering van andere elementen in het pollendiagram bleek echter dat het verschijnen en verdwijnen van bepaalde soorten in verband kon worden gebracht met plaatselijke variaties in landgebruik. Iepenval en landnam konden duidelijk worden waargenomen, evenals het voorkomen van cultuurvolgers wat kon duiden op landbouw, zelfs wanneer er geen graankorrels of graanpollen werden gevonden (Dimbleby, 1978).

Belangrijk is dat men zich er van bewust moet zijn dat stuifmeel soms in de grond aan verplaatsing onderhevig is en daardoor in oudere niveaus terecht kan komen. Tevens het gegeven dat boompollen over grotere afstand verspreid raakt dan stuifmeel van kruiden, waardoor boompollen eerder regionale dan plaatselijk omstandigheden weerspiegelt en informatie oplevert over de vegetatie uit de ruime omgeving. Ook het wegspoelen van pakketten veen, door invloeden vanuit water (rivieren en zee), speelt een rol bij het feit dat stuifmeel in de grond aan verplaatsing onderhevig kan zijn, zoals in het Hunze- en Reestdal. Het onderzoek van gefossiliseerd stuifmeel is waarschijnlijk de meest toegepaste discipline bij landschapsarcheologisch onderzoek. Landschappen kunnen in meer of mindere mate door de mens beïnvloed zijn. Gebieden of perioden waar de invloed van de mens minimaal was, waarin er een min of meer natuurlijke situatie en evolutie hebben bestaan, kunnen dan ook dienen als een soort ijking voor de invloed van de mens op het landschap.

Zoeken we die vergelijkingen in het verleden, dan spreken we van historische referenties; zoeken we die vergelijkingen in het nu, maar in andere gebieden, dan spreken we van geografische referenties. Dat betekent meteen ook dat er meer en minder door de mens beïnvloede landschappen zijn. We kunnen ook proberen een zo volledig mogelijk landschapsbeeld te reconstrueren van een bepaald moment in het verleden, ongeacht of daar nu nog iets van in het actuele landschap is terug te vinden of niet. Volledig is dat beeld echter nooit; het blijft hoe dan ook bij een fragmentaire wedersamenstelling. Omdat stuifmeel het best bewaard blijft in sedimenten die onder water zijn gevormd, zijn de meeste vegetatiereconstructies gebaseerd op palynologisch onderzoek van meerbodems, moerasjes, vennen, veenlagen en pingoruïnes (Beenakker et al, 2007).


2. Stuifmeelkorrels, stuifmeel en pollenanalyse

2.1 Eigenschappen van stuifmeelkorrels
Stuifmeelkorrels worden veel bestudeerd omdat ze vier geschikte eigenschappen hebben.
– Ze zijn per soort, per botanisch geslacht of per plantenfamilie verschillend van vorm. Aan de stuifmeelkorrel is te zien van welke plant hij afkomstig is: van de hazelaar, van de klimop of van de smalbladige weegbree. Soms is determinatie van pollen niet mogelijk als we kijken naar de twee eikensoorten die in Nederland voorkomen.
– Stuifmeelkorrels zijn altijd in overvloed aanwezig. Van één plant komen veel meer pollen dan bijvoorbeeld zaden. Daardoor is de kans om ze te vinden groter.
– De kans om stuifmeelkorrels te vinden is groter doordat ze, zoals hun naam al aangeeft, stuiven. Ze verspreiden zich gemakkelijk.
– De pollenkorrels blijven onder zuurstofvrije omstandigheden eindeloos goed. Dit betekent dat elke stuifmeelkorrel die in water of moeras terechtkomt, bewaard blijft. Het binnenste vergaat weliswaar, maar het omhulsel waaraan de korrels gedetermineerd worden, verdwijnt niet (Bakels, 1985).

2.2 Ontstaan van afzettingen met stuifmeel
Stuifmeel komt in de lucht door bloeiend zaad. Een deel valt op de grond en een ander deel valt in het water. Wat in het water valt, zinkt naar de bodem en wordt opgenomen door het bodemslib. Ieder keer valt er weer een laagje bovenop het al gevormde laagje. Iets soortgelijks gebeurt met levend veen. Stuifmeel blijft in de natte plantenmassa, die het veen vormt, net zo goed bewaard.

Omdat venen omhoog groeien en steeds dikker worden, ontstaan ook daar laagjes. In meersedimenten en in veen zit de geschiedenis van de omringende vegetatie opgesloten in de vorm van stuifmeelkorrels. Om deze geschiedenis te weten te komen, hoeft men alleen maar een boorkolom te verzamelen en het stuifmeel in de verschillende laagjes te bestuderen.

2.3 Pollenanalyse
Stuifmeel heeft een zeer resistente buitenwand en is haast even karakteristiek voor een plant als blad en bloem. Het is mogelijk om met chemische middelen zoals geconcentreerd kaliloog, zwavelzuur, ijsazijn en fluorwaterstof het stuifmeel uit te prepareren en het dan laagje voor laagje onder de microscoop (400 x vergroot) te determineren. We lezen dan de vegetatiegeschiedenis en kunnen vaak menselijke activiteiten als afbranden, kaalkappen en akkerbouw herkennen.

We zien het aandeel van de bomen afnemen, grassen en kruiden nemen toe. We treffen graanpollen aan en stuifmeel van b.v. de smalbredige weegbree, een plant die veelvuldig belopen goed weerstaat. Zo levert het stuifmeelonderzoek de algemene vegetatiegeschiedenis en zo ook klimaatsveranderingen sinds de oudste bewoning; een gedetailleerd beeld van de vegetatie rond een nederzetting en soms nauwkeurig het verloop van ontginning en herstel van de vegetatie (Louwe Kooijmans, 1979).


3. Plantengroei in het geografische district “Het Drentse district”

3.1 “Het Drentse district” vanaf halverwege de jaren 50 van de vorige eeuw
Halverwege de jaren 50 van de vorige eeuw zijn in het Drents district heidesoorten het meest kenmerkend. Naast Atlantische soorten zoals Calluna, Erica tetralix en Sarothamnus spelen hier de noordelijke heidesoorten, evenals bij het Waddendistrict, een belangrijke rol. Empetrum, Arnica, veenrelicten als Cornus suecica; Trientalis in eikenbos, Linnaea en Goodyera in coniferenbos. Buiten de langs het IJsselmeer gelegen terreinen ontbreken de stroomdalplanten geheel (Soest, 1962).

Anno 2005 is de begrenzing van het Drentse district naar het Laagveendistrict onscherp en verloopt grillig. Kenmerkend voor Drente is de relatieve rijkdom aan noordelijke soorten. De meeste hoogveenplanten zijn hier minder zeldzaam dan in het Gelders district, Subcentreuroop district en het Kempens district. De West-Europese soorten komen in het Drents district minder voor dan in de overige Pleistocene districten. Negatief is het Drentse district gekenmerkt door de afwezigheid van stroomdalplanten, door het ontbreken of schaars voorkomen van enkele bos – en akkerplanten en doordat talrijke elders gewone planten van bermen en omgewerkte grond in het Drentse district schaarser zijn (Meijden, 2005).

Ongeveer 7000 jaar geleden zien we in het Hunze- en Reestdal een dominantie van voornamelijk veenmosveen, in de Romeinse tijd veenmos en zeggeveen en in de 12e eeuw moerassen en veengebieden (Schroevers et al, 1978).


4. Het ‘Project Midlaren’

4.1 Boringen 12E0479 en 12E0481
Op de TNO kaart van het ‘Project Midlaren’ zien we in totaal 21 boringen in het meandergebied even ten zuiden van het Zuidlaardermeer in het Hunzedal.

Het gebied is van oorsprong een laagveengebied. Vroeger meanderde de rivier de Hunze door dit gehele gebied en mondde, evenals nu, uit op het Zuidlaardermeer. In 4200 BP stond de rivier de Hunze in open verbinding met de Waddenzee.

De boringen 12E0479 en 12E0481 zijn gestoken boringen, waarmee ongeroerde monsters worden verkregen door een buis met een scherpe rand in het grondmateriaal te steken. Beide boringen liggen ca. 75 meter van elkaar en van iedere boring is een pollendiagram beschikbaar.

Fig2-TNO-kaart.JPGFig. 2 TNO kaart met boorlocaties Hunzedal boringen: 12E0479 en 12E0481

Door de boringen 12E0479 en 12E0481 aan elkaar te koppelen d.m.v. zoneringen krijgen we een beeld van de vegetatie in het Hunze- en Reestdal vanaf het Preboreaal. Het beeld van een landschapsreconstructie kan ons informatie verschaffen over de eerste flora en fauna in het Preboreaal, de vroeg menselijke bewoning en de eerste akkerbouw en veeteelt.


4.2 Lithostratigrafie van beide boringen
Het pollendiagram van de boring 12E0479 gaat tot 200 cm diep en wordt weergegeven vanaf een diepte van 40 – 200 cm. Het pollengram 12E0481 gaat tot 560 cm diep en wordt weergegeven vanaf een diepte van 280 – 560 cm. Bij beide boringen behoort een Lithostratigrafie van grondsoorten met een bijbehorende diepte in cm.

Boring: 12E0479    Boring: 12E0481
Diepte in cm Grondsoort Diepte in cm Grondsoort
15-62 amorf veen 280- 326 gytjja
62-170 riet/zeggeveen 326- 345 amorf veen
170-195 Amorf veen 345- 375 broekveen
375- 400 rietveen
400- 421 rietveen
421- 500 amorf veen
500- 560 riet/zeggeveen

Tabel 1. Lithostratigrafie van beide boringen: boring 12E0479 en boring 12E0481

4.3 C14-dateringen boring 12E0479 en boring 12E0481
Er zijn zes C14 monsters genomen en gedateerd in BP waarden. In tabel 2 zien we een
overlapping van beide boringen.

Boring Diepte in cm Datering BP Geologische periode Pollen zone Archeologische periode
12E0479 40-65 2000 BP – ca. 800 na Chr. Subatlanticum 3b V- Middeleeuwen t/m Rom. tijd
65-118 2590+/- 55 – 2000 Subatlanticum 3a IJzertijd t/m M- Bronstijd
118-165 5230+/-60 – 3000 Subboreaal 2 M- Neolithicum t/m M- Bronstijd
165-200 5940+/-60 – 5000 Atlanticum 1 V- Neolithicum t/m M- Neolithicum
 
12E0481 280-445 4660+/- 60 – 2800 Subboreaal 3a M- Neolithicum M- Bronstijd
445-470 7730 +/- 90 – 5000 Atlanticum 2 M- Mesolithicum t/m M- Neolithicum
470-560 10010 +/-80 – 8000 Boreaal (Preboraal) 1 V- Mesolithicum

Tabel 2. C14-datering van beide boringen en indeling in pollenzones

4.4 Boring 12E0481
Bij een diepte van 470 – 560 cm zitten we in de geologische periode van het Vroeg Holoceen. Het Boreaal is de geologische periode van het Vroeg Mesolithicum. Het is mogelijk dat we van 530 – 560 cm in een overgangsfase zitten van Preboreaal naar Boreaal (Datering 10.010 – 9100 BP, met een piek van de Pinus die na 9100 BP snel afneemt). Bij een diepte van 445 – 470 cm zitten we in de geologische periode van het Midden Holoceen. Het Atlanticum is de geologische periode. Bij een diepte van 280- 445 cm zitten we in de geologische periode van Midden Holoceen. Het Subboreaal is de geologische periode.

4.5 Boring 12E0479
Bij een diepte van 165 – 200 cm: Midden Holoceen. Het Atlanticum is de geologische periode. Bij een diepte van 118 – 165 cm: Midden Holoceen. Het Subboreaal is de geologische periode. Bij een diepte van 65 – 118 cm: Laat Holoceen. Het Subatlanticum is de geologische periode. Bij een diepte van 40 – 65 cm: Laat Holoceen. Het Subatlanticum is de geologische periode. Bij een diepte boven de 40 cm (geen C14 datering): kleidek in de Romeinse ontstaan. Het bovenste gedeelte, boven het kleidek geeft het eind aan van Midden Subatlanticum ca. 800 n. Chr.


5. Basis -veenvorming en bewoning

5.1 Zeespiegelstijging
De stijging van de zeespiegel en de daaraan gekoppelde stijging van het grondwater in een gebied had grote consequenties voor de bewoning en het menselijk handelen. Vanaf het moment dat het grondwater tot aan het maaiveld gestegen was en zich (basis)veen begon te vormen, werd het gebied ongeschikt voor permanente bewoning.

Fig3-Holocene-zeespiegelcurves.JPGFig. 3 Holocene zeespiegelcurves voor verschillende plaatsen langs de Nederlandse kust

Tot de overvening zijn in de eerste helft van het Holoceen grote delen van het Pleistocene bodemoppervlak bewoonbaar geweest, die thans zijn afgedekt door kustsedimenten. Doordat de relatieve zeespiegelsteiging verschillend is, is de tijd-diepte relatie van de bewoonbaarheid van het Pleistocene oppervlak in het Nederlandse kustgebied ook verschillend. De relatie tussen bewoonbaarheid van het Pleistocene oppervlak en overvening (onder invloed van de zeespiegelstijging) in de verschillende kustregio’s is af te leiden uit de regionale zeespiegelcurves. Zo vond 6000 v. Chr., in het Laat –Mesolithicum, de veenontwikkeling onder directe invloed van de zeespiegelstijging in Zuidwest-Nederland plaats op een diepte van ca. 11 meter, in Midden-Nederland op een diepte van ca. 14 meter en in Noord-Nederland op een diepte van ca. 17 meter. Het basisveen dat niet direct ontwikkeld is onder invloed van het grondwatergradiënt effect of het riviergradiënt effect, heeft geen tijd-diepterelatie met de regionale zee – spiegelcurve uit fig. 3. De vervorming die onafhankelijk is van de zeespiegelstijging begint eerder dan op basis van de tijd-diepte positie in de curve te verwachten is. Om archeologische verwachtingswaarde van een gebied te bepalen, is het daarom van groot belang om vast te stellen of het basisveen gevormd is onder directe invloed of indirecte invloed van de regionale zeespiegelstijging.

5.2 Paleografische reconstructies van Nederland
Om een goed beeld te krijgen van de grondsoorten en pollenopslag is het ook belangrijk om te kijken naar de paleografische reconstructies van Nederland in de verschillende ouderdom fases. Door bestudering van de kaarten krijgen we een goed beeld van het landschap uit het Holoceen. In de steentijd werd er in het kustgebied niet alleen gewoond op de relatieve hoge duingronden, maar ook op de hoog opgeslibde en verlande kreek – en oeverwalsystemen in het getijde-gebied. De verlanding van de hoog opgeslibde kreeksystemen wijst op fluctuerende waterstanden.

Fig4-Paleografische-reconstructies-6500BP.JPG Fig4-Paleografische-reconstructies-5100BP.JPG Fig4-Paleografische-reconstructies-4200BP.JPG Fig4-Paleografische-reconstructies-2450BP.JPG
Fig. 4 Paleografische reconstructies: 6500 BP, 5100 BP, 4200 BP en 2450 BP (Deeben et al, 2005)

5.3 Transgressie- en regressiemodellen
Tijdens de transgressie bereidde de invloed van de zee zich in het kustgebied uit en werden vooral klastische sedimenten (zand en klei) afgezet. Tijdens de regressie trok de zee zich terug, vielen delen van het getijde-gebied droog en ontwikkelden zich in het achterland bodems en veenlagen. De fluctuaties hadden een cyclus van 500-600 jaar. Archeologen gebruikten het model om de verschillende bewoningsfasen in het kustgebied te verklaren (Van Es, 1986; Boersma 1970).
Tijdens de regressiefasen vielen door de relatief lage zeespiegelstand de hoger opgeslibde delen van het zeekleigebied droog en waren bewoonbaar. Tijdens de transgressiefasen steeg het zeeniveau snel en raakten de delen van het kustgebied weer overstroomd en onbewoonbaar. Er is veel onduidelijkheid over zeespiegelreconstructies en de invloed hiervan op het achterland. De interpretaties zijn niet altijd gelijk. Tegenwoordig kijken we meer naar de lokale en regionale betekenis van de sterk schommelende curve voor het Gemiddeld Hoog Water (GHW) (Vos et al, 2005).
Transgressie en regressie hebben een rol gespeeld in het Hunzedal toen de Hunze in open verbinding stond met zee. Veenpakketten kunnen hierbij weggeslagen zijn.


6. Pollenzones en pollendiagram

6.1 Pollenzones
Bij de boringen 12E0481 en 12E0479 hebben we te maken met lokale pollen. Wanneer van een bepaald gebied pollendiagrammen beschikbaar zijn, kunnen hierin meestal pollenzones onderscheiden worden, die karakteristiek zijn voor dit gebied. Deze diagrammen dienen dan als referentie voor pollendiagrammen van andere afzettingen in het betreffende gebied, die slechts een deel van de pollenzones omvatten en waarvan men slechts wil weten wanneer en onder welke omstandigheden de afzettingen gevormd zijn. Met behulp van C14 dateringen kan men pollendiagrammen van een absolute ouderdom voorzien. Als dit bij een pollendiagram gebeurt, kan van een ander monster, dat in het diagram ingepast zal worden, de absolute ouderdom binnen bepaalde grenzen (pollenzones) gegeven worden.

6.2 Pollendiagram
Pollendiagrammen kunnen op verschillende manieren worden samengesteld. Het hangt van het doel en van het onderzoek en van het karakter van het monster af, welke manier men kiest. Vrij algemeen is het pollendiagram, gebaseerd op de Iversen-pollensom.

Dit diagram bestaat uit drie delen, die naast elkaar worden weergegeven.
– Het overzichtsdiagram. De pollensom is de som van de pollenkorrels van bomen en struiken ( boompollen = aboreal pollen =AP) en van de droge landkruiden (nonaboreal pollen = NAP). In het diagram wordt elke boomsoort apart aangegeven, terwijl de kruiden samen worden genomen.
– Het middelste deel van het diagram geeft voor elke soort het aanwezige percentage pollenkorrels t.o.v. de pollensom aan.
– Het derde deel geeft de porrenkorrels aan, die niet in de pollensom zijn opgenomen. Bij Iversen zijn dit de waterplanten. Dit deel is niet altijd in alle diagrammen aanwezig.
Het pollendiagram geeft een indruk van de lokale of regionale ontwikkeling van de vegetatie. De ontwikkeling is in hoofdzaak bepaald door twee factoren, namelijk: het milieu en het klimaat. Om informatie over de klimatologische ontwikkeling te verkrijgen, moet de invloed van de lokale milieufactoren worden uitgefilterd. Dit is niet altijd zo eenvoudig. Het is niet alleen zo dat de lokale vegetatie afhangt van het milieu, bijvoorbeeld nat of droog, ook zijn er per plantensoort verschillen in totale stuifmeelproductie, de resistentie van het stuifmeel tegen corrosie en de afstand waarover verspreiding plaatsvindt. De totale pollenverspreiding is afhankelijk van het aantal individuen, de soort, de bloeitijd (duur, frequentie), de weersomstandigheden. Grote veranderingen die tegelijkertijd op meerdere plaatsen optreden, zijn echter door het klimaat bepaald. Wanneer het om klimaatsveranderingen gaat, is het uitgangspunt van vrijwel alle palynologische studies, dat de grond van het pollendiagram vastgestelde (zonale) vegetatie wordt vergeleken met de huidige vegetatiegordels op aarde. Hieruit kunnen dan eventuele klimaatsveranderingen worden afgeleid. Meestal komen deze klimaatsveranderingen in grote lijnen overeen met bepaalde temperatuursveranderingen. In de fysische geografie kan de pollenanalyse worden toegepast bij onderzoek van de: vegetatiegeschiedenis en de milieuomstandigheden.

6.3 Boorkolommen
Bij het boren komen we eerst een laagje Gyttja tegen.
– Gyttja is organisch sediment, het is fijnkorrelig, groen tot geelbruin modder en vaak elastisch.Het ontstaat in meren met stilstaand water en bestaat uit organisch materiaal afgezet onder oxische (met zuurstof) en anoxische (zonder zuurstof) omstandigheden. In voedselrijke, eutrofe meren, kan zo verlanding optreden met een afname van de biodiversiteit.
– De tweede laag is klei, het betreft hier een Hunzeafzettingen van een zoetwatergetijde
– De derde laag is veen, het zgn. Hollandveen. Het is vooral gevormd in het Midden- en Laat- Subboreaal.
– Voor boring 12E0479 zitten we daarna in het zand, het Pleistocene substraat.
– Voor boring 12E0481 komen we eerst in de oude afzettingen van de Hunzebeek terecht, daarna weer in het eerder gevormd Hollandveen om uiteindelijk uit te komen in het Pleistocene substraat. In boring 12E0481 zijn nog enkele diatomeeënmonsters genomen, in totaal 8 stuks (Legenda TNO).


7. Plantengroei in het verleden en de invloed van de mens

7.1 Plantengroei in het verleden
Ongeveer tienduizend jaar geleden werd het klimaat definitief warmer. We zien de eerste uitgestrekte bossen. Eerst met voornamelijk berken, naderhand ook met dennen, hazelaars en jeneverbessen. Al deze bossen bedekten de uitgestrekte zandvlakten, waaruit het land voornamelijk bestond. Alleen de rivierdalen vormden een uitzondering. Doordat ze regelmatig hun beddingen verlegden, vormden de rivieren een tamelijk breed dal waarin eerst grind en later ook veel zand werd afgezet. Het water zal de boomgroei herhaaldelijk hebben verstoord. De ondergroei van de bossen zal hebben bestaan uit adelaarsvarens (Dennstaedtiacea), hengel (Melampyrum pratence), bochtige smele (Deschampsia) en een aantal mossen en korstmossen.
Omstreeks negenduizend jaar geleden veranderde het klimaat vrij sterk. Het werd weer warmer, maar het werd ook vochtiger. De westenwind ging overheersen en bracht regenrijke lucht uit de oceaan naar onze streken. Sinds die tijd verschijnen er voor het eerst eiken (Quercus) en elzen (Alnus), later ook iepen (Ulmus) en linden (Tilia).
Waar dicht onder de oppervlakte keileem- of oude keileemafzetting waren, vooral in Drenthe, ontstonden vennetjes. Het overvloedige water vulde de kommen. In deze van de buitenwereld afgesloten plassen kon veenmos groeien. Onder invloed van het vochtige klimaat breidden de veenmosbegroeiingen zich sterk uit. Op den duur leidde dit tot het ontstaan van onafzienbare veengebieden die zelfs de bossen wisten te overwoekeren. De hoogvenen van Drenthe en de Peel zijn resten van die oude venen. Ze zijn nu ongeveer achtduizend jaar oud. Maar ook het veen verdween weer op de meeste plaatsen. Het warmer wordende weer deed het ijs van de gletsjers en polen smelten. Daardoor steeg het niveau van de zee. Samen met de geologische daling van een deel van onze streken had dit overstromingen tot gevolg tot ver in het binnenland. Er ontwikkelden zich kwelders met typische zoutplanten, zoals zeekraal (Salicornia) en lamsoor (Limonium vulgare). Het oude veen werd bedekt met een kleilaag.
Nadat het water zich ging verzoeten, ontstond een zoetwatermoeras met gele plomp en waterlelie. Ook nu vormde zich weer veenmos. In de grote rivieren en beken werd in deze periode behalve zand steeds meer klei afgezet. Ook dat was een gevolg van de rijzing der zee: deze veroorzaakte dat de rivieren minder hard gingen stromen. Daardoor konden ook kleine slibdeeltjes naar de bodem zakken. Door meandering van de rivieren en beken werden in de komgronden zware klei afgezet. De komgronden zijn waarschijnlijk graslanden geweest, waarin boterbloemen (Ranunculus), paardebloemen (Taraxacum), klavers (Trifolium),
fluitekruid (Anthriscus sylvestris) en vele andere planten hebben gegroeid. Langs de kleinere beken was nog wel boomgroei mogelijk. Vooral elzen (Alnus), essen (Fraxinus) en iepen (Ulmus) groeiden er. De bodem was vooral in het voorjaar rijk bedekt met speenkruid (Vicaria verna), pinksterbloem (Cardamine pratensis) en slanke sleutelbloem (Primula vulgaris). Omstreeks het begin van onze jaartelling (Romeinse tijd) sloeg de zee opnieuw toe. Ook in de 12e en 16e eeuw zagen we het zelfde verschijnsel.

7.2 Invloed van de mens
Omstreeks 5000 v. Chr. vestigde zich in deze streken een nieuwe groep mensen, die een primitieve vorm van landbouw bedreven. Vanaf toen werden ingrepen in het landschap merkbaar. Maar het zou nog duizend jaar duren voordat overal op de zandgronden de landbouw was ingeburgerd. De oudste landbouwers kapten en brandden een stukje bos, zaaiden daar hun gewassen en oogsten die.
Met hun voedingsgewassen, voornamelijk gerst (Hordeum) en een primitieve vorm van tarwe, emmer genaamd (Triticum), voerden ze een aantal wilde planten in onze streken in: klaproos (Papaver), spiegelklokje (Legousia veneris) en de gele ganzebloem (Glebionis segetum) zijn daar voorbeelden van. Vooral verschillende soorten ganzevoet (Chenopodium) en melde (Atriplex)werden van toen af algemene planten. Rond de dorpen groeiden vooral brandnetels (Urticaceae) en smalle weegbree (Plantago lanceolata).
Omdat men van bemesting geen weet had, zocht men steeds een ander plekje om een akkertje aan te leggen. Op de verlaten open stukken lieten ze hun vee grazen. De struikheide kon zich wel tegen het gegraas staande houden en nam bezit van een dergelijk terrein. Zo ontstonden de eerste heidevelden, die in de loop van duizenden jaren erna in uitgestrektheid aanzienlijk toenamen. Toen omstreeks 500 v. Chr. het klimaat droger werd, verhuisden veel mensen van de zandgronden naar de kwelders van Noord -Groningen en –Friesland. Misschien was door de bevolkingstoename en de voortschrijding der landbouwtechniek het uiterste van de grond gevraagd; door te veel dieren ontstonden bij harde wind in het heidegebied zandverstuivingen.
Na de Romeinse tijd raakten bijna alle delen van Nederland bewoond. In de uitgestrekte veengebieden, zoals Drenthe, Zuidoost Friesland, de Peelstreek en Holland -Utrecht kon behoudens enkele uitzonderingen (terpen of wierden in het noorden) nog niemand wonen (Schroevers, 1978).


8 Pollentypen

8.1 Meest opvallende pollentypen

De Hazelaarfamilie (Corylus) omvat ongeveer veertig soorten houtgewassen van het noordelijke halfrond. Zij is nauw verwant aan de Berkenfamilie. De noten zijn groter dan bij de Berkenfamilie. De noten waren/zijn een belangrijke voedselbron. Verbrande
hazelnootdoppen zijn belangrijke indicatoren voor archeologen. De hazelaar (Corylus avellana) is een hoge struik. Het groeit goed onder een niet te dichte scherm van zomereiken, maar niet in een gesloten beukenbos. Het groeit o.a. op beekoeverwallen op keileem- en ouder keileem en kleiafzettingen. De Hazelaar komt al vroeg in het Holoceen voor (Weeda et al, 1985).
Het geslacht Berk (Betula) omvat ongeveer vijftig soorten en is zeer veelvormig. Er zijn dwergstruiken en hoge bomen. Berken zijn de pioniers van bosvorming, het berkenbroekbos. Ze komen voor op voedselarme zandgronden. De Zachte berk komt voor op vochtige, venige en min of meer voedselarme grond. Het zaad wordt gemakkelijk door de wind verspreid en kiemt onder lichte, vochtige omstandigheden snel. Het geslacht eik (Quercus)omvat houtgewassen van zeer uiteenlopende habitus. Ze komen o.a. voor in de gematigde delen van het noordelijk halfrond. Het Eiken -Berkenbos is te vinden op arme niet lemige podzol – zandgronden. In Nederland is het eeuwenlang het meest voorkomende bostype geweest. De den (Pinus) behoort tot de eenhuizige bomen met verspreid of in bundels staande naalden.
Ze komen voor op voedselarme bodems. In noordwest Europa komen ze al tijdens de Alleröd voor en vaak in combinatie met berkenbossen. De iep (Ulmus) komt hier al voor na de laatste IJstijd. De Iepenfamilie omvat tussen de honderd en honderdvijftig soorten, alle houtgewassen en merendeels bomen. Ze komen in alle werelddelen voor. In koude gebieden en woestijnen ontbreken ze. In noordwest Europa komen ca. 30 typen voor. Het zijn forse halfschaduwbomen die in gemengde, niet te dichte loofbossen op voedselrijke, kalkhoudende goed doorluchte grond groeien. De linde (Tilia) komt in Nederland na de laatste IJstijd voor, na hazelaar, iep en zomereik en ongeveer gelijk met de Zwarte els.
De bladeren en takken van de linde werden vroeger gebruikt als veevoer. In de bronstijd vond veel houtkap plaats en ging de boomsoort snel achteruit. De els (Alnus) of Zwarte els groeit op drassige plaatsen. Het loof is geschikt als veevoer. Van nature komt Elzenbos voor in komvormige laagten in de zandstreken, waar het grondwater tot aan of boven het oppervlak staat en een afwatering ontbreekt. In het Atlanticum komen ze algemeen voor. De els (Alnus) groeit op moerassige plaatsen en aan waterkanten (Ooststroom, 1962). De els (Alnus) heeft een voedselrijke tot matig voedselarme grond nodig. Het is de voornaamste boom in moerasbossen. Men ziet hem ook veel aan waterkanten.
De beuk (Fagus) groeit langzaam en komt overal in west en midden Europa voor. Vermoedelijk hoort hij van nature thuis op alle oude gronden, behalve zeer voedselarme zandgronden en voorts in de hoge delen van rivierdalen. De beuk moet niet te nat staan, maar ook niet te droog. De beuk is bij uitstek een schaduwboom. In noordwest Europa verscheen de beuk het laatst van alle loofbomen. Al vroeg v. Chr. breidde de beuk zich sterk uit in het oosten van Nederland. In de drie noordelijke provincies bleef hij betrekkelijk schaars. De boom geeft voedsel in de vorm van beukennootjes (Weeda et al, 1985).
De struikhei (Calluna vulgaris) komt overal in Europa voor. De struikhei ziet men veel op arme zand – en leemgrond en hoogveen in het midden en oosten van Nederland. De struikhei is door ontginning sterk afnemend. De cypergrassenfamilie (Cyperacea) zijn kruiden met een biesachtig uiterlijk. Men vindt ze gewoonlijk in natte gebieden. De grassenfamilie (Gramineae) zijn 1-jarige of overblijvende kruiden, zelden houtig, vaak met uitlopers of wortelstokken. Gerst (Hordeum) komt algemeen voor en groeit op droge tot vochtige grond. Middelste van de drie aartjes bij rijpheid hoogstens 1.5 mm breed. Tarwe (Triticum) ziet men zeer veel als graangewas en is waarschijnlijk uit Z.W.- Azië afkomstig. De plant heeft droge voedselrijke grond nodig (Meijden, 2005).

8.2 Beschrijving van de Pollendiagram 12E0481 en 12E0479
In het hele pollendiagram komen 13 soorten bomen en struiken voor die aangeduid worden met Arboreal Pollen (AP) en 58 soorten landkruiden die aangeduid worden met Non- Arboreal Pollen (NAP) inclusief Varia. We zien een samenstelling van deze twee in de kolom AP -NAP, zodat we onmiddellijk een compleet overzicht hebben van de AP en NAP soorten. In de kolom ‘Pollen sums’ wordt de som van de pollen weergegeven.

Zone 1
Beschrijving van de pollen.
Een gedeelte van het Preboreaal wordt vanaf 560 cm tot ca. 530 cm weergegeven in boring 12E0481 (zie bijlage).
De grens wordt gelegd bij de toename van boompollen, voornamelijk berk en daarna den.
Men heeft het ook wel over een berkdennenbos (Betula/Pinus) kruising.
De hazelaar (Corylus) komt in het Preboreaal weinig voor. We zien de hazelaar eigenlijk goed beginnen bij de aanvang van het Boreaal. De hazelaar vormt de bovengrens van het Preboreaal. De berk (Betula) heeft in de Jonge Dryas en de geologische perioden daarvoor zijn pieken gehad. Wij zien in dit pollendiagram nog net een stukje afname van de berk in het Preboreaal. De berk neemt weer in aantallen toe in het Boreaal en Atlanticum.De eik (Quercus) zien we beginnen bij de aanvang van het Boreaal maar neemt duidelijk toe in het Atlanticum. In het Preboreaal zien we vooral dat den (Pinus) en berk (Betula) duidelijk vertegenwoordigd zijn.
In het Preboreaal heeft de den duidelijk een piek en neemt geleidelijk af in het Boreaal en Atlanticum.Vanaf 560 cm zien we een hoge NAP waarde die geleidelijk afneemt in het Preboreaal en een lage AP waarde die geleidelijk toeneemt (pollensom is 100%).

Kenmerken voor het Boreaal zijn: hoge dennen (Pinus)-waarden. Hazelaar (Corylus) heeft een hoge waarde. Eik (Quercus) en iep (Ulmus) zien we in deze periode opkomen. Linde (Tilia) en els (Alnus) verschijnen aan het eind van het Boreaal. We zien de den (Pinus)- waarden afnemen aan het eind van het Boreaal. Bij de sterke toename van de els (Alnus) wordt de grens getrokken tussen Boreaal en Atlanticum.
Vanaf 510 cm in pollendiagram 12E481 zien we een hoge AP waarde die maar heel geleidelijk afneemt bij het begin van het Atlanticum. De lage NAP waarde zien we iets toenemen op het einde van het Boreaal.

Zone 2 van boring 12E0481 en zone 1 van boring 12E0479
Het Atlanticum heeft in beide pollendiagrammen een verschillende diepte (zie bijlage).
Kenmerkend voor deze periode is de sterke toename van els (Alnus). We zien de den (Pinus) afnemen en de wilg (Salix) toenemen. De hoge AP waarde geeft aan dat er veel bomen groeien. Er staat een lage NAP waarde tegenover. Geleidelijk neemt de NAP waarde toe en de AP af, wat veroorzaakt wordt door een natter milieu. We zien nu de aanwezigheid van de cypergrassenfamilie (Cyperaceae) en grassenfamilie (Gramineae).
In een latere fase van het Atlanticum zien we de cypergrassenfamilie (Cyperaceae) en grassenfamilie (Gramineae) afnemen. De AP waarde neemt weer toe. We zien ook een sterke toename van de wilg (Salix). Waarschijnlijk is dit een gevolg van een drogere periode. Weer wat later zien we in het Atlanticum het omgekeerde. AP waarde neemt af en NAP waarde neemt toe.

Zone 3a van boring 12E0481 en zone 2 van boring 12E0479
Het Subboreaal heeft in beide pollendiagrammen een verschillende diepte (zie bijlage).
Kenmerkend voor deze periode is de afname van Ulmus en Tilia. De achteruitgang van de Ulmus kan te wijten zijn aan een ziekte of op een klimaatsverslechtering of het gevolg zijn van menselijke activiteiten. De Pinus-percentage blijft laag. Eik, els en hazelaar vertonen min of meer dezelfde waarden als in het Atlanticum, maar de hazelaar neemt aan het eind van het Subboreaal af. We zien een toename van Alnus en Quercus in de diagrammen. We zien Gramineae toenemen en ook de kruidenplanten, Cyperaceae nemen toe. Verder wordt het stuifmeel van Cerealia aangetroffen, wat duidt op menselijke activiteiten in de zin van landbouw. Hordeum en Triticum zien we tegen het eind van het Subboreaal verschijnen. In het traject tussen Ulmus-daling en het eerste Plantago-maximum treft men vaak zeer geringe percentages voor Plantago aan. Artemisia en Rumex komen eveneens voor als onkruid.

Zone 3b
Het Subatlanticum is alleen vertegenwoordigd in boring 12E0479.
Wij zien een sterke toename van de Fagus. De uitbreiding van de beuk blijkt steeds parallel, of ten gevolge van menselijke activiteit te lopen.
Corylus, Fraxinus en Ulmus vertonen een lage waarde. We zien Tilia verder achteruitgaan.
De plaats van de linde is mogelijk door de beuk overgenomen. De kruidenpollen nemen sterk toe, evenals struikhei. Verder zien we Hordeum en Triticum voorkomen, evenals schapezuring.

Opvallende pollentypen en conclusie
Uit de bestudering van de pollentypen, ingebed in diverse bodemlagen en met de beschrijving van de bijbehorende flora, kunnen we een landschap reconstrueren. We kunnen klimaatsveranderingen aantonen. We kunnen aan de hand van flora en de daarbij behorende fauna aantonen waar de eerste mensen (jager-verzamelaars) van geleefd hebben. We kunnen de eerste vormen van landbouw en veeteelt aantonen.We kunnen met gegevens uit het verleden klimaatsveranderingen voorspellen.

Antropogene pollenindicatoren
Antropogene pollenindicatoren duiden op menselijke activiteiten. Het landnam is een Deens woord dat ‘het in bezit nemen van land’ betekent. Het duidt een veel voorkomende vorm van vroege landbouw aan waarbij een stuk bos werd kaal geslagen en in cultuur gebracht. Wanneer dit stuk cultuurgrond na verloop van tijd werd verlaten, werd het eerst overwoekerd door onkruid waarna het uiteindelijk weer bos werd. De regeneratie van het bos begon met de intrede van de berk die zich snel vestigt in gebieden die zijn kaal geslagen. Door middel van pollenanalyse werd deze landnam geïdentificeerd door veranderingen in het pollenspectra, namelijk de plotselinge afname van boompollen, het verschijnen van graanpollen en dat van cultuurvolgers met vervolgens een toename van cultuurvolgers en op den duur het opnieuw verschijnen van de berk. De landnam is een duidelijke weerspiegeling van de brandcultuur die de eerste landbouwers zo vaak toepasten.
Voor het herkennen van ingrepen op de omgeving door de neolithische mens zijn twee modellen beschikbaar: de Iversen landnam en de Troels-Smith landnam. Beide modellen kunnen in de pollendiagrammen voorkomen. Het vee, dat op stal of binnen een omheide ruimte werd gehouden, zou men vooral takken met blad van diverse loofbomen hebben gevoerd. Het meest geschikt als veevoer zijn de takken van iep, es, daarna eik, linde en esdoorn. Het zo genoemde Troels-Smith landnam model. De Iversen landnam gaat uit van boeren die door middel van de ‘slash-and-burn’ methode een open landschap trachten te creëren voor akkerbouw en veehouderij (Bakker 2003).
In boring 12E0481 is opvallend dat Cyperaceae en Graminae in zone 1, 2 en 3a duidelijk aanwezig zijn. Het percentage ligt boven de 10%. Ze zijn ze te identificeren als antropogene pollenindicatoren in de zin van cultuurindicatoren. Calluna en Pteridium komen in een lager percentage voor in zone 3b. In boring 12E0479 zien we Gramineae en Cyperaceae in alle zones voorkomen. In zone 3a en 3b zien we een percentage dat hoger ligt dan 10%. In zone 1 en 2 ligt het percentage lager. Hordeum en Triticum treffen we aan in zone 3b in een laag percentage van ca. 3%.

Archeologisch onderzoek en pollendiagram
De beide pollendiagrammen geven een goed beeld van de vegetatiegeschiedenis van de onderzochte pollen uit beide boringen. Soms zijn meer C14- datering gewenst om tot een beter resultaat te komen. Als we een archeologisch onderzoek doen naar de eerste vormen van landbouw zijn deze pollendiagrammen zeer bruikbaar. Voor onderzoek naar de eerste vormen van landbouw komen pollenzone 2, van boring 12E0481 (Atlanticum), het meest in aanmerking en pollenzone 1 van boring 12 E0479 (Atlanticum). In feite zijn alle pollenzones van belang voor archeologisch onderzoek. Archeologen doen onderzoek naar iedere vorm van menselijk bestaan in alle periodes.Vooral de pre – en protohistorie zijn in dit opzicht belangrijk (maar ook de latere perioden). Voor onderzoek naar de eerste vormen van landbouw komen de pollenzones Atlanticum, van beide boringen, het meest in aanmerking.
Toename van Plantago lanceolata (smalle weegbree) en Rumex acetosa (schapezuring) zijn indicatoren voor het begin van het Neolithicum. Zij komen voor in open veldjes die ontstaan zijn door boomkap voor akkerbouw. Verder zijn ook belangrijk Hordeum, Triticum (later), Papaver, Plantago, Altriplex etc. De relatie tussen sedimentatie en de daarmee samenhangende vegetatieveranderingen worden aangegeven in de paleografische reconstructies. Twee extra C14-dateringen zouden gebruikt kunnen worden voor een extra datering in boring 12E0481, op een diepte van 300 cm, om een beter beeld te krijgen van de overgang van het Subboreaal naar het Subatlanticum en een boring met een C14-datering op een diepte van 100 cm om een beter vergelijk te maken boring 12 E0479.


Literatuur

  • Bakels, C.C., 1985. Archeologie in de praktijk, Het onderzoek van plantenresten, Weesp.
  • Bakker, R., 2003. The emergence of agriculture on the Drenthe plateau, a palaeobotanical study supportes bij high- resolution 14C dating.
  • Beenakker, J.J.J.M., & F.H. Horsten, A.M.J. De Kraker, H. Renes, 2007.
  • Landschap in ruimte en tijd, Amsterdam.
  • Champion, S. A., 1980. Dictionary of Terms and Techniques in Archaeology, Oxford.
  • Dimbleby, G., 1978. Plants and Archaeology, The Archaeology of the soil, London.
  • Jacomet, S. & A.M. Kreuz, 1999. Archäobotanik, Aufgaben, Methoden, und Ergebniss vegetations- und agrargeschichtlicher Forschung, Stuttgart.
  • Louwe Kooijmans, L.P., 1979. Opgraven in Nederland, Den Haag.
  • Meijden, R., Van Der., 2005. Heukels’ Flora van Nederland, Groningen.
  • Ooststroom, S.J., 1962. Heukels – van Ooststroom, Flora van Nederland, Groningen.
  • Renfrew, C. & P. Bahn, 2004. Archaeology, Theories, Methods and Practice, London.
  • Schroevers, W., & J. den Hengst, 1978. Plantenrijk, Wilde planten in hun landschap, Hasselt.
  • Vos, P., & P. Kiden, 2005. Landsschapsvorming tijdens de Steentijd, Meppel.
  • Weeda, E.J., & R. Westra, CH. Westra, T. Westra, 1994. Nederlandse oecologische Flora, Wilde planten en hun relaties.
  • Woldering, H., 2000. Hydrologie van de Pingo ‘Vagevuur’ (Nietap, DR) In het Laat-Glaciaal en Vroeg Holoceen, Paleo-Aktueel 12, archeologie in 2000.
  • Zonneveld, J.I.S.,1993. Levend Land, De geografie van het Nederlandse landschap, Loghum.

Willem Bemboom
Rijks Universiteit Groningen
Afdeling Archeobotanie
7.05.2008


Bijlagen:

Fig5-Pollendiagram-12E481ab.JPG Fig6-Pollendiagram-12E479b.JPG Fig7-Tijdtabel-Holoceen.JPGFig. 5 (links) Pollendiagram 12 E 48 1a
Fig. 6 (midden) Pollendiagram 12 E 479
Fig. 7 (rechts) Tijdtabel Holoceen

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image