24 juni 2009

Een bedelaar – landloper uit Roksem

Categorie: Boeken & Tijdschriften.    7.355 keer gelezen.

Ondanks alle weelde en comfort in onze westerse landen, ziet men toch nog in alle steden bedelaars en daklozen, zelfs met het bestaan van O.C.M.W., Poverello, of andere hulpbiedende instanties. Zolang bedelaars de mensen niet lastig vallen maakt men het hen ook niet moeilijk.

gestella.JPGMaar dit is in het verleden niet altijd zo geweest. In vorige eeuwen werd bedelarij hard aangepakt met wettelijke verboden, zonder dat er evenwel aan de oorzaken ervan iets gedaan werd. In de Oostenrijkse tijd (1713-1792) werd in dit verband in augustus 1749 een ordonnantie uitgevaardigd “regarderende de landloopers en ledighgangers“. De stedelijke overheid klaagde namelijk over

“het misbruyck bij hen, even schandalig en hinderend voor de goede burgers, dat veroorzaekt wordt door vele mensen die liever lui zijn dan werkende, en afkerig van ene eerlycke kostwinning, hun inkomen verwerven door te bedelen, niets anders doende dan dwalen in de straeten … bovendien de aalmoezen gebruikend om zich in talrycke slechte gelegendheden her en der te bedrinken aen graenjenever … Het excuus van deze luiaerds is steeds dat zy gene stiel kennen en gene mogelijkheid tot werken“

Zelfs door deze krasse taal uit 1755 van de begoeden uit de samenleving, was tien jaar later blijkbaar nog niets veranderd. Want hare Majesteit Maria-Theresia (1) gaf op 14 december 1765 opnieuw een ordonnantie uit “regarde vande bedelaers ende vaguebonden”. Het bleef dweilen met de kraan open.

Zo’n dertig jaar later werden onze gewesten dan overspoeld door de Franse Revolutie (1792 – 1814).
De instellingen van het Ancien Régime werden afgeschaft en de maatschappij werd totaal veranderd. Bij velen was er toen totale ontreddering. De bedelarij nam toen enorme proporties aan. Volgens een rapport van 27 december 1800 van prefect Doulcet de Pontécoulant waren er alleen al in het département van de Leie (West-Vlaanderen) méér dan 10.000 bedelaars en dit op een bevolking van circa 460.000 inwoners !
Men zou toen proberen door het oprichten van liefdadigheidsateliers werk te verschaffen aan bedelaars die nog bekwaam waren te werken. Zij zouden er opgeleid worden om te kunnen spinnen en weven. Maar tenslotte pak-ten ook de Fransen het probleem toch meest repressief aan. In heel het Franse rijk (waartoe ook onze streek behoorde) werden een 80-tal bedelaarsgestichten geopend. Een decreet van Napoleon uit 1808 bepaalde dat bedelaars in een gesticht zouden terechtkomen en landlopers moesten naar de gevangenis. Maar ook de Franse tijd ging voorbij zonder dat een serieuze oplossing gevonden werd voor de bedelarij.

Na de Slag van Waterloo (18 juni 1815) , met de ondergang van Napoleon, werden onze gewesten herenigd met Nederland (1815-1830). Maar ook nu werd de bedelarij verder bestreden. Willem, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden schreef in januari 1823:
“ … om ten ernstigste de hand te houden aan de uitvoering der bestaande verordeningen tot wering der bedelarij; om degenen, welke gevonden zullen worden strijdig met die verordeningen te behandelen, of aan de regtbanken over te leveren, of in de bedelaars werkhuizen te doen opnemen…”

Het optreden van de overheid had blijkbaar toch resultaat want het bedelaarswerkhuis van Brugge zat weldra overvol. In de eerste zes maanden van 1823 werden 89 bedelaars aangehouden. Toen werden in juli van dit jaar 130 personen uit Brugge overgebracht naar de kolonie “ Ommerschans “ in de gemeente Ommen – provincie Overijssel- in het noorden van Nederland.

De ommerschans was oorspronkelijk een versterking uit de 80-jarige oorlog (1568-1648) die omgebouwd werd tot een kolonie voor bedelaars en landlopers. B.J.Holvoet, president van de Gedeputeerde Staten van West-Vlaanderen kon al in juli 1823 het volgende schrijven:

“Met genoegen kunnen wij de verzekering geven, dat de stipte nakoming dezer voorschriften reeds de gelukkigste gevolgen heeft opgeleverd, en dat de bedelarij, deze koestermoeder van ondeugd en misdaad, voor eene beschaafde maatschappij zoo schandelijk, zich niet meer dan met schroomvalligheid en ter sluik durft vertoonen …”

Maar de ommerschans was zoiets als de gevangenis van Dendermonde in 2008. Nog in hetzelfde jaar 1823 waren er al veertien West-Vlamingen de instelling “ontvlugt”:Ignatius Stubbe uit Koolskamp, Joannes De Roo uit Brugge, Petrus De Kokere uit Kortrijk, Joannes Vanden Broucke uit Deerlijk, Jacobus De Sneyens uit Dudzele, Franciscus Houdaert uit Kortrijk, Antonius Warrein, Joannes De Groote en Angelus Coelman uit Gijzelbrechtegem, Franciscus Messiaen uit Izegem, Joannes Vanden Dorpe uit Tiegem, Joannes Jonckheere uit Menen, Henri Vereecke uit Kortemark, Angelina Blomme uit Ardooie en op 19 juni ook nog Joannes Rafelghem, 34 jaar, “ gewoond hebbende te Roxem”.

Joannes Van Rafelghem werd geboren te Roksem op 25 oktober 1785 als zoon van Eduaert en Joanna Kerkhove, landbouwers tussen de Duinenweg en Brugse steenweg. Hij huwde te Jabbeke op 23 april 1819 met Anna Knockaert, dochter van Jacobus en Joanna Dheetens. Anna werd aldaar geboren op 13 maart 1790. Dit nieuwe gezin kwam zich te Roksem vestigen.

Op 14 november 1820 werd een dochter geboren te Jabbeke: Reine Françoise Raefelgem (Regina-Francisca). Anna Knockaert was bij haar moeder teruggekeerd om dit kind te kunnen baren want het werd geboren in het huis van Joanna Dheetens. Toch staat in de geboorteakte dat de ouders in Roksem wonen. Maar kort na deze geboorte heeft Joannes Van Raefelghem vrouw en kind verlaten, en heeft waarschijnlijk als bedelaar-landloper door het land gezworven.

Op 26 september 1822 deed de veldwachter van Roksem , Joannes Kesteloot, bij burgemeester Pieter Maenhoudt aangifte van een geboorte van een zoon “ gisteren om twee ure namiddag ten huyze van de moeder Anna Knockaert”. Het kreeg de naam Jacobus Van Rafelghem. Het was wel heel merkwaardig dat de geboorte niet plaats vond in het huis van Joannes Van Rafelghem ! Joannes werd in deze akte zelfs omschreven als “ uytlander”. (2) Blijkbaar was hij toen al in Nederland.

Twee jaar later op 5 oktober 1824 werd ten huize van Anna Knockaert opnieuw een kind geboren: Felix Van Rafelghem. Bij de doop van deze Felix schreef de pastoor van Westkerke – Roksem in de akte dat het een “filius illegitimus” was, een onwettige zoon.

 Na zijn ontsnapping uit de ommerschans is J.Van Raefelghem waarschijnlijk terug opgepakt. Hij stierf namelijk te Vilvoorde op 4 december 1825, amper 40 jaar oud. In Vilvoorde was een bedelaarsgesticht in een gedeelte van de gevangenis ingericht.
Dergelijke situatie uit het begin van de 19e eeuw in een plattelandsgemeente als Roksem zal in de regio veel besproken geweest zijn. Waarom Joannes Van Raefelghem z’n gezin verlaten heeft zal wel voor altijd een raadsel blijven.

Toch was het fenomeen van de bedelarij ook in de 20e eeuw nog niet verdwenen. Getuige de talrijke afbeeldingen van bedelaars door bekende kunstenaars als C.Permeke, Eug.Laermans, Frits Vanden Berghe, enzomeer.

Bronnen:
– Prov.bib.West-Vl.: Verzaemeling der Acten van Algemeen Bestuer der Provincie West-Vl. 14e deel 1823
– P.R. Westkerke-Roksem
– B.S. Roksem en Jabbeke
– Ommeloper Roksem 1728 (met aanvullingen)
– De Erfenis van de Franse Revolutie 1794-1814. ASLK 1989
– foto’s: OudOmmen.nl, vereniging De Ommerschans, Nederland (met dank)

—————————————————
(1) Maria Theresia van Oostenrijk
(2) Op te merken valt dat de familienaam op vele verschillende wijzen geschreven wordt: Raefelghem, Van Rafelghem, vanrafelghem, enz.
(3) Een uitlander, utelander, is iemand die z’n land verlaten heeft, een landverhuizer

Bron: Gestella Krantje – Jaargang 31, Nr.3, juli 2009 – Auteur: André Van Poucke

Gestella-krantjeb--.jpgDriemaandelijks tijdschrift voor familiekunde, geschiedenis, heemkunde en volkskunde van Gistel en de parochies van het vroegere Ambacht-Gistel (Belgie).
Ontvangen van Jan Verheyde.

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image