31 augustus 1967

Drenthe- vroeger en nu

Categorie: Archeologie.    6.761 keer gelezen.

Bij het turfgraven zijn al heel wat prehistorische vondsten gedaan, die ons een vrij duidelijk beeld en inzicht hebben gegeven van het doen en laten van de mensen, die hier een paar duizend jaar geleden hebben gewoond: van hun woningen, kleding en gereedschappen, van hun dodenbestel, ja zelfs van hun uiterlijk.

Dit gevoegd bij de toepassing van nieuwe onderzoekingsmethoden, maakt het archeologen mogelijk de absolute ouderdom van de vondsten te bepalen. De meeste van deze, werkelijk opzienbarende vondsten zijn in Denemarken gedaan, waarom we met het lijk van de Tollundman beginnen, dat het meest tot de verbeelding heeft gesproken.

Tollund is een klein plaatsje in het midden van Jutland, waar turf gravers in 1950 bij hun werk een veenlijk aantroffen. Ze ontblootten het halverwege en waarschuwden ondertussen de archeologische dienst. Het lijk werd daarna verder ontgraven. Het lag op zij in een gebulte houding, met opgetrokken knieën en gebogen armen. Het kwam geheel ongeschonden bloot. Het zure veenwater had alles bruin gekleurd, de kleur van getaande visnetten. In de 2000 jaar van ongestoorde rust, waren het hoofd en de zintuigen ook nog intact. De rust was nu echter verstoord. Het lijk werd opnieuw met vochtig veen bedekt en is met veen en al als een grote turf naar het nationaal museum vervoerd waar men onmiddellijk met de conservering begon. De man was bijna geheel naakt. Slechts een leren gordel om de lendenen, een kapje van zeven stukjes leer gemaakt op zijn hoofd en om zijn hals een leren riem als strop, waaraan hij was opgehangen, was zijn tenue, waarmee hij in de veenput was geworpen. Onder een twee meter dikke laag veen had hij nu 2000 jaar gerust.

Een jaar later werd bij Grauwballe, op enige afstand van Tollund, wederom het lijk van een man gevonden. Zonder de vondst verder te ontgraven, vervoerde de archeologische dienst deze dadelijk maar, evenals de Tollundman als een turfpakket naar het museum, waar van het lichaam een gipsafdruk werdgemaakt. Daarna kwam het 18 maanden in een kuip met geconcentreerd looizuur, zoals vissers hun netten tanen. In tegenstelling met het lijk van de Tollundman, was het lijk van Grauballe geheel naakt. Hij was geen natuurlijke dood gestorven. Toen men het lijk omkeerde keek men in een half afgesneden hals.

In diezelfde tijd werd een derde lijk opgegraven. Nu echtervan een veertienjarig meisje. Ook zij was geen natuurlijke dood gestorven. Geblinddoekt, een kraagje om haar hals en een wonde aan de rechterslaap, was ze in een veenput terecht gekomen.

Toch was de aanleiding tot de doodstraf bij alle drie slachtoffers niet dezelfde. De Romeinse schrijvers meldden in een bezoek aan deze streken over de bewoners het volgende: “Ih het Noorden hebben we Ghaukische volksstammen bezocht, grote en kleine. In brede stromen stort zich hier het water van de Oceaan tweemaal per dag over het land. Hij bedekt dan de eeuwige twistappel der natuur. Men kan niet zeggen of het land of zee is. Te dier plaatse nu bewoont een ongelukkig volk hoge heuvels of stellages, door mensenhand gemaakt, zo hoog als de hoogst bekende vloeden dat vereisen, omdat het lot nu eenmaal heeft opgelegd……het is hun niet gegeven vee te houden en melk te drinken, zoals hun naburen…..van riet en biezen vlechten zij touw voor hun netten. Slijk dat ze met hun handen opgraven drogen ze, meer in de wind dan in de zon. Met deze aarde verwarmen ze hun voedsel, evenals hun door de Noordewind verkleumde lichamen…..ze vereren een godin der vruchtbaarheid. Iedere godin der vruchtbaarheid door de velden gereden. Dienaren die dit deden, werden daarna gedood en als een godenoffer in het water geworpen…..ze spraken ook drastisch recht. Verraad werd met de strop gestraft, lafheid met verdrinking.”

Van de drie hier genoemde veenlijken werd het veertien jarige meisje waarschijnlijk aan de godin der vruchtbaarheid geofferd, die beide mannen met de strop gestraft, in een veenput geworpen en daarna met veen bedekt. Dit zijn slechts drie veenlijken, waarvan een beschrijving is gegeven. Er zijn echter talrijke in het veen gevonden, waaraan geen aandacht is geschonken. Latere vondsten verkeerden in minder volledige toestand om ze te conserveren, wat in Drenthe ook meestentijds het geval is geweest.

In het provinciaal museum te Assen en het oudheidsmuseum te Emmen zijn enige kledingstukken te bezichtigen en in het provinciaal museum, na de nieuwe etalering van de prehistorica, ook een veenlijk, in de oorspronkelijke kleding gewikkeld, opgesteld. Het is het meisje van Ide, met een strop om de hals, daardoor kennelijk het slachtoffer van heidense rechtspraak en misschien evenals het veertienjarig meisje van Denemarken, na als vruchtbaarheidsoffer den volke vertoond, met de strop gestraft en in een veenkuil geworpen.

Dwingeloo, S. Gancrinus.
(Rechten voorbehouden)

Bron: Emmer Courant – 31 augustus 1967

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image