3 september 2014

De vier ijskelders in de gemeente Ommen

Categorie: Gebouwen, Landgoederen, Willem Bemboom.    6.114 keer gelezen.

De vier ijskelders in de gemeente Ommen zijn uniek en behoren tot de mooiste ijskelders van Nederland.

 De ijskelder van Vilsteren, gelegen nabij het Huis Vilsteren.
Foto: OudOmmen

In een periode van 250 jaar, globaal van het midden van de zeventiende eeuw tot 1914, werden in Nederland speciale kelders gebouwd voor het bewaren van ijs, maar hierover is weinig te vinden in de historische bronnen. De historische kennis over individuele ijskelders in Nederland is complex en heel divers. Per ijskelder is de kennis zeer variabel. Een overzicht van kennis en kennislacunes ontbreekt vooralsnog. Over de totstandkoming van de opdracht, de ontwerpers of uitvoerders is zelden iets bekend. Bouwtekeningen voor ijskelders zijn uiterst schaars; omdat overal verschillende bouw- en metseltechnieken voorkwamen, zijn deze gegevens niet opgetekend. In de zeventiende en achttiende eeuw waren bouwers bekwaam genoeg om een eenvoudig gewelf te metselen zonder tekening, een vaardigheid die in de negentiende eeuw als vanzelfsprekend werd beschouwd.

Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw doet de koelkast in Nederland zijn intrede en tegenwoordig heeft iedereen er een. Fabrieken en ambachtelijke bedrijven konden al vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw op grote schaal gebruik maken van koelmachines door de introductie van elektriciteit. Vóór die tijd was natuurijs de aangewezen manier om producten koel te bewaren. Men verzamelde daarvoor in de winter zoveel mogelijk natuurijs uit grachten, vijvers en andere watergangen. Het ijs bewaarde men in speciale ondergrondse bewaarplaatsen, zogenaamde ijskelders. Het meest voor de hand liggende gebruik van ijskelders was voor het welzijn en de gezondheid van de mens. IJs werd gebruikt door medici voor o.a. inwendige ontstekingen. Bezitters van ijskelders waren min of meer sociaal verplicht om op doktersvoorschrift gratis ijs af te staan. Door de tijd heen zijn er verschillende soorten ijskelders gebouwd. In ons land zijn ijskelders vanaf de zeventiende eeuw in gebruik gekomen op de buitenplaatsen. De eerste ijskelders waren eenvoudig van aard; later ontstonden meer geavanceerde typen. IJskelders werden ook heel verschillend gebouwd, omdat de eigenaar de vorm en het volume zelf bepaalde.

IJskelders zijn zelden of nooit gedateerd (ouderdomsbepaling). Uit de schaarse historische bronnen blijkt dat de bouw van de huidige ijskelders over het algemeen dateren van de tweede helft van de negentiende eeuw. Een absolute datering is niet te geven. Een datering is soms mogelijk aan de hand van dendrochronologie van het gebruikte hout in de ijskelders, maar meestal zijn deuren, kozijnen en vloerdelen in de loop der jaren vervangen door de inwerking van vocht en houtrot. Een ander methode is om te kijken naar het gebruik van stenen bouwmaterialen, de metseltechniek en de afwerking met cement of tras. Over stedelijke ijskelders is in de historische bronnen meer bekend. In de grote steden maakte men in de achttiende – en in het begin negentiende eeuw gebruik van centraal gelegen ijsopslagplaatsen in kelders. De meeste ijskelders zijn te vinden in het oosten en midden van Nederland in het stroomgebied van de grote rivieren de Vecht en IJssel in Overijssel, de IJssel in Gelderland en de Rijn in Utrecht.

Bijna alle overgebleven ijskelders staan op een buitenplaats als onderdeel van een kasteel of havezate. Belangrijk was de keuze voor een goede locatie met een lage grondwaterstand om de ijskelders droog te houden voor het binnendringen van het grondwater. De voorkeur ging er naar uit om ijskelders te bouwen op een hoger gelegen schaduwrijke plaats, tegen het oosten, zuiden of westen, door opgaande bomen tegen zonnestralen beschut en met een ingang aan de noordkant.

Een goed werkende ijskelder moest aan een aantal voorwaarden voldoen. Er waren minimaal twee deuren noodzakelijk. Deze dienden voor de noodzakelijke minimale luchtcirculatie. IJskelders waren zo gebouwd dat een uitwisseling tussen buitenlucht en binnenlucht minimaal was. De warme lucht die naar binnen kwam, botste tegen de binnendeur, koelde een beetje af door de binnenlucht en steeg op in de ijsput. Vervolgens werd de lucht vermengd met koudere binnenlucht, waardoor er een gradiënt aan temperaturen ontstond, een kleine opening in de deur was noodzakelijk om dit proces te bewerkstelligen. Zonder meerdere deuren was geen buffering mogelijk en werd het interne klimaat onstabiel. Boven op de ijskelder lag een aardlaag van ten minste 40 cm om de buffering te behouden en een warmte-uitwisseling via de wand met de omgeving te voorkomen.

  Fig.1 (links): Opslag van voedsel in ijskelder.
Fig.2 (rechts): Het zagen van ijsblokken tot max. 200 kg.

Op de landgoederen gebeurde de arbeidsintensieve ijswinning vaak onder leiding van een hovenier. Deze was in de zomer ook belast met de zorg voor het ijs. Voor het vullen van de ijskelder liet men op een koude dag een aantal personen ijshouwen. Deze hakten kerven in het ijs van circa een vierkante meter, maar slechts zo diep dat het water niet doordrong. Daarna werden de stukken ijs doorgehouwen of gezaagd van elkaar gespleten, getransporteerd en opgeslagen in de ijskelder. Op deze wijze kon door enkele personen een grote ijskelder in één dag gevuld worden. Bij het vullen van de ijskelder moest men er op letten dat de verschillende lagen van zuiver ijs zoveel mogelijk dicht aaneen gesloten waren en alle tussenruimten met fijn gestoten ijs of sneeuw werden aangestampt, zodat het geheel één massa werd en de lucht daartussen niet kon indringen.

Viel de winter in, maar lag er geen ijs, dan werd sneeuw gebruikt. Het was bekend, dat sneeuw nog kouder was dan ijs. Men gebruikte zout, zodat de sneeuw iets begon te smelten en zo tot één compacte massa vroor. Ten slotte bedekte men sneeuw of ijs in de kelder met een laag stro ter dikte van 60 à 70 centimeter en beschutte daardoor de ijskelder voor het binnendringen van de buitenlucht. Langs de wanden werd stro en zaagsel aangebracht voor een beter isolatie. Als de ijskelder bijna leeg was en niet meer gebruikt werd, werd deze voor het begin van de winter schoon gemaakt. De deuren moesten openstaan, zodat de ijskelder uit kon luchten en de kou kon binnendringen. Om vlees of vis in de ijskelder goed te bewaren, maakte men gebruik van houten kistjes die in het ijs geplaatst werden. Op deze manier bleef het voedsel lange tijd goed en zonder reuk. De methode om de etenswaren niet in kisten maar in de ijskelder op te hangen was minder goed. Trommels van blik en zink waren nog doelmatiger en bovendien hygiënischer. Daarnaast werd wild ook opgehangen vlak boven het ijs in de ijsput. Bederfelijke etenswaren diende men bij voorkeur in de vroege ochtend of laat in de avond uit de ijskelder te halen.

IJskelders van hout of steen voldeden prima, mits aan de nodige voorwaarden voor het opslaan van ijs werd voldaan. De dakbedekking bestond uit een dubbel stro- en rietdak van 16 tot 32 centimeter, waarbij de tussenruimte van de beide daken voor gelijkmatige temperatuur in de ijskelder zorgde. Bij deze types komen zowel bovengrondse als ondergrondse kelders voor. Dikwijls werden deze ijskelders ook cilindervormig of vierkant gemaakt en waren de wanden van binnen met hout, turf of mos bekleed. Ook hier was een dubbele deur en een afvoer voor smeltwater noodzakelijk. Was de grond tot het opnemen van smeltwater geschikt, dan bedekte men eenvoudig de bodem met een laag takken van 30 centimeter dikte, waarover stro of zaagsel werd aangebracht ter dikte van ongeveer 20 centimeter.

IJskelders met een bakstenen koepel komen het meeste voor en behoren tot het zogenaamde ordinaire type. Gedurende de achttiende eeuw raakte dit type ruim verspreid. Het gewelf was ter isolatie afgedekt met aarde en schaduwrijke bomen waren erop of omheen geplant. De bakstenen muren waren dik en eventuele spouwruimtes kunnen geïsoleerd zijn geweest door turf. Deze ijskelders waren beter bestand tegen weersinvloeden en vochtige omstandigheden dan de ijskelders van hout. De deur van de ingang leidde naar een deur die toegang gaf tot het gewelfde gedeelte. De meeste baksteen gewelven waren één steen dik, met in het muurwerk vaak alleen de kopse kanten van de stenen zichtbaar. Deze constructie kan behalve haar eigen gewicht ook nog een beperkte belasting dragen. Vervolgens kon ter bescherming tegen de zon een lichte constructie, zoals een prieeltje of theehuisje, op de koepel van het gewelf geplaatst worden of een aanplant met struiken en bomen.

Daarnaast bestonden er ook ijskelders met een tongewelf. Dit is een gewelf met een halve cirkel op een vierkante of rechthoekige basis. Deze ijskelders hadden dikwijls geen grote diepgang en bevonden zich op het niveau van het maaiveld of er net iets onder. Deze ijskelders, opgebouwd uit steen, kan men het beste typeren als groente- of aardappelkelder en ze werden veelal gebruikt door boeren en door de ambachtelijke industrie.

In de loop van de negentiende eeuw doet men er meer dan honderd jaar over om tot een rationeel model voor de ijskelder te komen. Een ontwikkeling die onder invloed van het kunstmatig gefabriceerde fabrieksijs een kort leven beschoren was. Toch blijven zelfs in geografisch beperkte gebieden de vormen erg uiteenlopen. Algemeen kan men stellen dat er na 1915 geen ijskelders meer gebouwd zijn. Door de opkomst van ijsfabrieken en elektriciteit raakten de ijskelders in onbruik en begon de grote aftakeling. De functie van de ijskelders op de buitenplaatsen is in de eerste kwart van de vorige eeuw langzaam gewijzigd. Veel ijskelders zijn gesloopt tegelijkertijd met de sloop van havezaten die ook vervallen waren. Dikwijls werden de stenen hergebruikt voor de bouw van boerderijen. Daarnaast staan veel ijskelders leeg of hebben een andere bestemming gekregen en zijn de stille getuigen van een ambacht dat eeuwenlang werd toegepast. IJskelders worden vanaf het midden van de vorige eeuw gebruikt als opslagplaatsen voor tuingereedschap, schapenstal, jachthut, ontweiplaats voor wild, aardappel- en groentekelder en de laatste decennia ook als vleermuiskelder. De vier ijskelders liggen in situ verspreid in de gemeente Ommen.

De ijskelders zijn:
1. ijskelder van Eerde, gemeente Ommen
2. ijskelder van Het Laar in ambt Ommen, gemeente Ommen
3. ijskelder van de Ommerschans in Balkbrug, gemeente Ommen
4. ijskelder van Vilsteren, gemeente Ommen

Veruit de meeste ijskelders liggen op de hoger gelegen zandgronden. De ijskelder in Balkbrug vormt hierop een uitzondering en is de meest noordelijk gelegen ijskelder in de gemeente Ommen. Het onderzoek van de ijskelders heeft in de zomermaanden van 2010 en 2011 plaatsgevonden. De kelders zijn getypeerd, ingemeten, gefotografeerd en geïnspecteerd op onderhoud en beschadigingen. Om een beter beeld te krijgen, is ook gekeken naar de cultuurhistorische waarde, de architectuur- en kunsthistorische waarde, de situationele en ensemble waarde, de gaafheid en herkenbaarheid en naar de zeldzaamheid van het object volgens richtlijnen van het RCE (Rijksdienst Cultureel Erfgoed).

1. De ijskelder van Eerde
De ijskelder van Eerde is onderdeel van het landgoed Eerde en is gelegen aan de Meertjesweg te Ommen, op enige afstand van het hoofdgebouw Huis/Kasteel Eerde ( Meertjesweg 1, 7731 PJ Ommen). De coördinaten van de ijskelder zijn: 52°29’28”NB, 6°27’41″OL. De ijskelder is in 1860 gebouwd en thans opgenomen als onderdeel van het Rijksmonument in het register van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Monumentnummer 527556, complexnummer 527545, Staatsbosbeheer is de eigenaar van de ijskelder. In de directe nabijheid ligt een grafkelder uit 1850 van de familie van Pallandt. Vereniging Natuurmonumenten is sinds de jaren zestig van de vorige eeuw eigenaar en beheerder van ruim 500 ha van het voormalige landgoed Eerde. De grafkelder vormt een enclave in het gebied van Staatsbosbeheer en is in bezit van Natuurmonumenten.

  Fig.3 (links): Vooraanzicht ijskelder Eerde.
Fig.4 (rechts) IJskelderput Eerde.

1a. Bouwgeschiedenis en huidig gebruik
Gegevens met betrekking tot de bouwkundige geschiedenis, zoals bouwtekeningen en archiefstukken, ontbreken. De twee hardstenen aanzetstenen (hoekblokken van de frontmuur) vermelden ieder een jaartal; het bouwjaar 1860 en het restauratiejaar 1985. De restauratie in 1985 werd uitgevoerd onder leiding van Ir. J. B. Baron van Asbeck (1911 – 2010). De ijskelder is van 1860 tot ongeveer midden jaren twintig van de vorige eeuw in gebruik geweest en is een van de mooiste ijskelders in Nederland. De ijskelder wordt op dit moment gebruikt als onderkomen voor vleermuizen. De aanwezige vleermuissoorten zijn: baard- en watervleermuis, franjestaart en de Bechsteins vleermuis.

1b. Beschrijving; typologie, afmetingen en gebruikte materialen
Het grondplan van de ijskelder van Eerde wordt gevormd door de rechthoek van de sluis met frontmuur en de cirkelvormige basis van de ijsput. Volgens de typologische indeling van Reinink en Vermeulen valt de ijskelder van Eerde onder type 3. Bij dit type 3 wordt de hoofdruimte met cirkelvormige basis afgedekt met een bakstenen koepelgewelf. De koepel en de sluis van de ijskelder hebben een aarden dekking en zijn met bomen en struikgewas begroeid. De aan de noordzijde gelegen ingangspartij bestaat uit een dubbelsteens bakstenen trapeziumvormige frontmuur met centraal, een over drie halve steenlagen terugliggende boogdeur. De profilering van het metselwerk rond de deur wordt gevormd door drie halfsteens inspringende rollagen. De hoeken nabij de top van de frontmuur worden beëindigd met hardstenen blokken die ieder zijn voorzien van een jaartal; links/oost 1860 en rechts/west 1985. Tussen de hoekblokken, zowel boven als aan de schuine aflopende zijden, is de frontmuur voorzien van een steens hoge rollaag. De groen geschilderde eiken toegangsdeur is afgehangen met gesmede hengen aan in het metselwerk aangebrachte duimen. De deur geeft toegang tot een portaal of sluis met een tongewelf. Aan het einde van het portaal is een tweede boogdeur die omgeven is door driekwart steens metselwerk, dat gelijkmatig het muurwerk en tongewelf van het portaal volgt. De anderhalfsteens brede zijden van deze deuromlijsting hebben een naar boven terugwijkende kromming alsof het aanzetten van een koepelgewelf zouden zijn, terwijl aanzet van de koepel van de ijsput hoger gelegen is. De tweede deur is schuin tussen de gemetselde kromming van de zijden geplaatst. Beide deuren zijn voorzien van een vlieggat voor vleermuizen. De maten van de sluis met tongewelf zijn: L = 230 cm, B = 135 cm, H = 205 cm. Delen van het tongewelf zijn uitgevoerd met een nieuw waalformaat baksteen. Het metselwerk van de muren en het tongewelf van de sluis is niet gevoegd en de bodem is aangestraat met klinkers direct in zand. Het metselwerk van de ringmuur die de trommel of tamboer van de ijsput vormt, gaat loodrecht naar beneden. De ijsput heeft de volgende maatvoering: diameter 400 cm, diepte vanaf maaiveld 500 cm, hoogte vanaf maaiveld 315 cm, totale afstand van gewelftop tot bodem is ca. 815 cm. De vloer van de ijsput is voorzien van een houten rooster op een puinbed voor de afvoer van smeltwater. De ijsput is voorzien van een onbeschilderde gegalvaniseerde metalen trap met leuning. Het koepelgewelf van de ijsput is gesloten en heeft geen vulgat in de gewelftop. Het koepelgewelf is uitgevoerd in schoon metselwerk met waalformaat rode handvormbakstenen. De ringmuur is opgemetseld in strekkenlagen. Sporen van tras of bepleistering op de bakstenen zijn niet zichtbaar in de ijsput. Er zijn geen kopse kanten in zicht dat betekent dat de muren zijn voorzien van een spouw. Een andere mogelijkheid is dat een voorganger van deze ijskelder verhoogd is en de ijsput is voorzien van een halfsteens dekmuur. De gebogen traceringen, die verwantschap vertonen met een koepelgewelfconstructie nabij de tweede deur, zijn hiervoor mogelijke aanwijzingen.

1c. Opmerkingen
De huidige staat van de ijskelder is goed. De toegangsdeur geeft problemen bij het openen vanwege roestvorming bij de gesmede duimen en hengen. De deur klemt door de relatieve hoge vochtigheidsgraad in de kelder. De tweede deur met toegang tot het koepelgewelf is licht beschadigd. Het gebogen metselwerk nabij de put waartussen een tweede deur is geplaatst, lijkt op een restant van een gewelfaanzet. De muren van het tongewelf in de sluis zijn bij de restauratiewerkzaamheden in 1985 bewust niet volgevoegd vanwege de vleermuizen. Algemene conclusie: goed.

2. De ijskelder van Het Laar
De ijskelder van Het Laar is gelegen aan de Reggemarsdijk, plaatselijk bekend als Koeksenbelt en is een Rijksmonument, Rijksnummer 513547. De ijskelder ligt ten zuiden van het hoofdgebouw en is opgenomen in het monumentenregister (op 10-04-2006) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Monumentnummer 513547, complexnummer 513541. Het adres is: Het Laar 4, 7731AV Ommen. De coördinaten van de ijskelder zijn: 52°29’28″NB, 6°27’41″OL. De gemeente Ommen is eigenaar van de ijskelder.

  Fig.5 (links): Vooraanzicht ijskelder van het Laar.
Fig.6 (rechts): Sluis met drie poorten, ijskelder van het Laar.

2a. Bouwgeschiedenis en huidig gebruik
Gegevens met betrekking tot de bouwgeschiedenis, zoals bouwtekeningen en archiefstukken, ontbreken. Gebruikte bakstenen in de frontmuur (rode machinale waalformaat) verwijzen naar een negentiende eeuwse ijskelder. Een exact bouwjaar is niet aan te geven. In de jaren tachtig van de 20ste-eeuw zijn de twee ijzeren deuren verwijderd, omdat beide deuren vernield en doorgeroest waren. De toegangsdeur naar het portaal is toen vervangen door een houten deur en er heeft een beperkte restauratie plaatsgevonden. De oude deuren hebben nog enige tijd in de ijskelder gelegen, maar zijn nu niet meer aanwezig. De ijskelder is geplaatst op de monumentenlijst als onderdeel van de Rijks Beschermde Historische Buitenplaats Het Laar. De ijskelder is tot ca. de jaren dertig van de vorige eeuw in gebruik gebleven. De bewoners van Het Laar stelden, zoals ook elders vaak voorkwam, het ijs uit de kelder beschikbaar voor genezing van zieken. Dit gebeurde meestal op doktersadvies en via het Groene Kruis werd het dan afgegeven en geleverd. Later sloot het Groene Kruis een overeenkomst met een van de slagers in Ommen voor ijslevering, waarna de kelder buiten bedrijf werd gesteld. In vroegere jaren kwamen de inwoners van Ommen op Paasmaandagmiddag voor het zo genoemde eiertikken bijeen op een terrein dat de ‘Koekoeksbeld’ heette (later Koeksenbelt), achter de boerderij bij van der Boon aan de Zwolseweg te Ommen. Waarschijnlijk door de te hoge waterstand was dit terrein vaak niet goed begaanbaar en werd het gebeuren verplaatst naar de heuvel, waarin de ijskelder was gebouwd en kreeg deze ook de naam Koeksenbelt. Het eiertikken vond dan daar plaats en de heuvel werd als speelobject gebruikt. Ook waren er op die dag kraampjes, waar men fruit en andere waren kon kopen. Tegenover de ijskelder ligt een gegraven poel of kolk waaruit mogelijk de ijsblokken werden gezaagd en vervolgens in de ijskelder werden bewaard. De poel heeft een waterinlaat met de naastgelegen watergang de Besthmenerleiding. De ijskelder wordt op dit moment gebruikt als onderkomen voor vleermuizen. De aanwezige vleermuissoorten zijn: baardvleermuis, franjestaart en de gewone grootoorvleermuis. De luchtvochtigheid is ca. 95 % bij een constante temperatuur van 6 -7 graden C.

2b. Beschrijving; typologie, afmetingen, gebruikte materialen
Het grondplan van de ijskelder bestaat uit de lange rechthoek van de sluis met frontmuur, die met een korte zijde tegen de cirkelvormige basis van de ringmuur van de ijsput is geplaatst. De ijskelder valt onder type 3, dat wil zeggen dat de hoofdruimte van de ijskelder met een bakstenen koepelgewelf wordt afgedekt. De ijskelder is met aarde afgedekt en met bomen en struikgewas begroeid. De aan de noordzijde gelegen ingangsgevel bestaat uit een eenvoudige rechthoekige frontmuur met centraal in een naar binnen verjongende vier strekken diepe rondboognis van 120 cm breed en 220 cm hoog, de toegangsdeur in rondom halfsteens uitkragend metselwerk. Zowel de frontmuur als de boognis is uitgevoerd in rode machinaal waalformaat bakstenen alsook in handvorm stenen en aan de bovenzijde afgewerkt met een halfsteens rollaag. De blank gelakte eikenhouten boogdeur is afgehangen met gesmede duimen en hengen en heeft drie staande- en vier dwarsklampen waarop acht kleine kussenpanelen zijn aangebracht. De ingang van de kelder is gerestaureerd, er is geen datum van restauratie bekend. De toegangsdeur van ijzer is in de jaren tachtig van de 20ste-eeuw vervangen door de huidige eikenhouten deur. De boogdeur heeft een vlieggat voor vleermuizen en erachter bevindt zich het voorportaal met tongewelf in twee afdelingen. De maatvoering van de eerste afdeling is L = 206 cm, B = 120 cm en H = 206 cm en de maatvoering van de tweede afdeling zonder binnendeur is L = 120 cm, B = 120 cm, H = 206 cm. De tweede ijzeren deur is weggehaald in de jaren tachtig van de 20ste-eeuw en niet vervangen. Het gehele portaal met tongewelf is uit baksteen opgetrokken. Het tweede portaal, ook met tongewelf, is oplopend met het niveauverschil dat door opgaande traptreden ontstaat. De gemetselde trap, met een niveauverschil van 84 cm, gaat met vier treden omhoog naar een derde deur of luik, waarachter de ijsput met koepelgewelf ligt. Deze bestaat uit de ringmuur van de trommel van de ijsput met daarboven een koepelgewelf uitgevoerd met waalformaat rode handvormbakstenen in schoon metselwerk. In de kruin van de koepel bevindt zich een ronde vulopening met vierkante betonnen deksel, die van buiten te openen is. In de vulopening hangt een ketting naar beneden, waarschijnlijk als geleiding voor van buitenaf komend lekwater. De ringmuur van de ijskelder gaat loodrecht naar beneden, de put heeft geen trechtervorm. De ijsput van de ijskelder is ondiep ten opzichte van de gangvloer en komt uit op een niveau iets onder het maaiveld. Door de stijging van de vier treden van de trap ontstaat een diepere ijsput, die schijnbaar meer verzonken lijkt dan deze in werkelijkheid is. De bodem bestaat uit aangestampt puin voor de afvoer van smeltwater, een houten rooster ontbreekt. De toegepaste bakstenen van ca. 5,0 x 10,5 x 22,0 cm behoren tot het originele werk, evenals het voegwerk. De muren zijn opgemetseld in een strekken- en koppenlaag, wat betekent dat de muren steens zijn gemetseld en geen spouw hebben. De steensmaat is ook vast te stellen bij de krans van de staande strekken rond het vulgat in de kruin van het koepelgewelf. Om in de put te kunnen afdalen, is een eenvoudig ijzeren trapje met roestvorming aanwezig. Sporen van het toepassen van tras- en kalkvoegen zijn zichtbaar.

2c. Opmerkingen
De huidige staat van de ijskelder is goed. De toegangsdeur zet uit en klemt door de relatieve hoge vochtigheidsgraad in de kelder. De deur die toegang geeft tot het tweede portaal ontbreekt. De twee oorspronkelijk ijzeren poorten zijn niet (meer) aanwezig in de kelder. Herstel van deze ijzeren poorten verdient aanbeveling. De ijskelder is in zeer goede conditie en wordt beschouwd als een van de gaafste ijskelders van Nederland. De ijskelder is van algemeen belang vanwege de ouderdom, als karakteristiek en functioneel onderdeel van de buitenplaats en vanwege de functioneel-ruimtelijke samenhang met de andere onderdelen van de buitenplaats. Algemene conclusie: goed.

3. De ijskelder van de Ommerschans
De ijskelder van De Ommerschans, plaatselijk ook bekend als aardappelkelder, is een Rijksmonument. Deze kelder ligt ten zuiden van Balkbrug en is opgenomen in het monumentenregister (op 19-12-2005) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed met Monumentnummer 508608. Het adres is Balkerweg 80, 7739 PT Ommerschans. De coördinaten van de ijskelder zijn: 52°35’18″NB, 6°23’24″OL. Staatsbosbeheer beheert het gebied en is eigenaar van de ijskelder De Ommerschans.

3a. Bouwkundige geschiedenis en huidig gebruik
Gegevens met betrekking tot de bouwgeschiedenis, zoals bouwtekeningen en archiefstukken, ontbreken. De ijskelder stamt uit ca. 1819 en is naast aardappelkelder ook als turfkelder in gebruik geweest. Tot ca. 1970 is de kelder in gebruik geweest als aardappelopslagplaats. De ijskelder is met aarde afgedekt en begroeid met gras en niet aangeplant met struiken of bomen. Tegenover de ijskelder ligt een drooggevallen gracht, een restant van de voormalige Ommerschansgracht. De ijskelder wordt op dit moment gebruikt als onderkomen voor vleermuizen. De aanwezige vleermuissoorten zijn: franjestaart en de gewone grootoorvleermuis. De luchtvochtigheid is 99 % bij een constante temperatuur van ca. 6 graden C.

  Fig.7 (links): Vooraanzicht ijskelder Ommerschans.
Fig.8 (rechts): Tongewelf met ventilatieronding Ommerschans.

3b. Beschrijving; typologie, afmetingen, gebruikte materialen
Het grondplan van de ijskelder bestaat uit de kleine rechthoek met frontmuur van het voorportaal, dat met een korte zijde tegen een korte zijde van een grotere rechthoek is geplaatst. Over de grote rechthoek is een halfcirkelvormig gewelf gemetseld. De ijskelder valt zodoende onder type 4, dat wil zeggen dat de hoofdruimte van de ijskelder bestaat uit een bakstenen tongewelf. De aan de noordzijde gelegen frontmuur bestaat uit een staand rechthoekig middenvlak, met centraal een boogdeur waar ter weerszijden naar voren geplaatste driehoekige wangen op aansluiten, die evenals het centrale deel zijn voorzien van een steens hoge rollaag. De onbeschilderde eiken toegangsdeur met gesmede klink is in een geschilderd kozijn afgehangen, met gesmede duimen en hengen. De toegangsdeur van eikenhout komt uit in een klein portaal met tongewelf die als sluis fungeert en is geheel uit baksteen opgetrokken in de volgende maatvoering: L = 165 cm, B = 110 cm, H = 220 cm. Afgaand op sporen in het metselwerk is het mogelijk dat het portaal een latere toevoeging is. De vloer van het portaal bestaat uit een op hun kant in de lengte in specie geplaatste bakstenen. De tweede boogdeur verschaft toegang tot de eigenlijke ijskelder met tongewelf. De deuren hebben een vlieggat voor vleermuizen. Het grondplan heeft de volgende afmetingen: 530 x 930 cm. De hoogte van de vloer tot de top van het tongewelfvlak is 315 cm. Dwars over de gehele breedte van de kelder zijn vrij recent twee muren aangebracht op een afstand van ca. 300 cm van de korte zijden. Deze steens binnenmuren van ca. 21 cm zijn opgetrokken uit een gele baksteen, zijn aan de zuidkant niet ingevoegd en eindigen op enige afstand van de gewelftop. In deze beide toegevoegde muren is een opening van 100 cm breed en 220 cm hoog aangebracht onder een latei. De doorgangen zijn verspringend geplaatst in beide binnenmuren. Het metselwerk van de korte afsluitende buitenmuren is koud onder en tegen het tongewelf geplaatst. De kelder heeft geen vulopening in de gewelfkruin en ligt op maaiveldhoogte. Het vloervlak is voorzien van een bestrating in plat gelegde bakstenen zonder afwateringen. De kelder is verder voorzien van een vijftal gresbuizen. De gresbuizen met een diameter van 30 cm zijn vermoedelijk later aangebracht als ontluchting of ventilatie en zijn afwisselend dichtgesmeerd met cement of volgelopen met aarde. De 2 x 2 aanwezige gewelfankers met lengtes van 150 cm. zijn ter weerszijde schuin aflopend vanaf het gewelf naar de onderste zone van de korte afsluitende voor- en achtermuur geplaatst en verankerd. Gewelf en muren zijn in steens metselwerk, in strekken- en koppenlaag, uitgevoerd zonder spouw. Tras-, kalk- of bepleisteringsporen zijn niet aanwezig. In de loop van de tijd zijn meerdere zichtbare reparatie- en onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd, waarvan onder andere de eerder genoemde gresbuizen getuigen zijn. Restauratiewerkzaamheden zijn uitgevoerd aan de zuidelijke kruin van het tongewelf, aan de exterieurzijde bij het deurkozijn en aan de overgang van het tongewelf van de sluis naar de grotere ruimte van de ijskelder.

3c. Opmerkingen
De huidige staat van de ijskelder is matig. De beide toegangsdeuren klemmen in de houten kozijnen. De houten deuren en kozijnen lijden onder de hoge luchtvochtigheid in de kelder. De beide, recentelijk aangebrachte, binnenmuren verdelen de hoofdruimte in drie compartimenten. De ijskelder van de Ommerschans met tongewelf wordt door het RCE, Kich en de Cultuurhistorische Atlas aangeduid als een ijskelder met een koepelgewelf, terwijl hier sprake is van een tongewelf. De juiste typering is een ijskelder van het type 4, met een tongewelf. Het is mogelijk dat de kelder oorspronkelijk dieper was en dat de huidige keldervloer op maaiveldhoogte aangebracht is voor de functie van aardappelkelder. De ontluchtingsgaten met gresbuizen zijn vermoedelijk later toegevoegde elementen en zijn met cement en aarde gedicht. In Salland is deze ijskelder de enige met een tongewelf (bijzonder). Algemene conclusie: matig.

4. De ijskelder van Vilsteren
De ijskelder is gelegen nabij het Huis Vilsteren aan de Vilsterseweg 16, 7734 PD Vilsteren. Kadastrale gemeente: Ommen, sectie H, nummer 7403. Ten noorden van de ijskelder ligt een vijver. De buitenplaats Vilsteren is met haar hoofdgebouw en bijgebouwen een Rijksmonument met no. 508586. De ijskelder maakt deel uit van het ensemble 508586 en wordt niet afzonderlijk beschreven. De coördinaten van de ijskelder zijn: 52°30’57″NB, 6°21’4″OL. Landgoed Vilsteren B.V. is eigenaar van de ijskelder. De ijskelder is in 2005 gerestaureerd onder leiding van Th. J. Wit. Het gebouw was oorspronkelijk geheel door opgeworpen grond aan het oog onttrokken. De ijskelder is beschermd als onderdeel van de Rijks Beschermde Historische Buitenplaats Vilsteren. De ijskelder is het centrum van een kleinschalige aanleg op deze locatie nabij het hoofdhuis, naar het ontwerp van G.A. Blom. Onderdelen van dit ensemble waren de ijskelder, een niervormige vijver en een tuinkoepel, welke half in de nabij gelegen tuinmuur was geplaatst.

  Fig.9 (links): Vooraanzicht ijskelder Vilsteren.
Fig.10 (rechts): Sluis met niveauverschil ijskelder Vilsteren.

4a. Bouwgeschiedenis en huidig gebruik
Gegevens met betrekking tot de bouwkundige geschiedenis, zoals bouwtekeningen en archiefstukken, ontbraken. De oorspronkelijke ijskelder dateert, afgaande op de stenen, uit ca. 1860. De resten van de oude ijskelder bevonden zich ondergronds. Het betrof een bakstenen ringmuur met sleuf, die aan beide lange zijden voorzien was van bakstenen muren. De restanten van de muren waren ongeveer 20 lagen hoog. De sleuf diende als toegang tot de ringmuur met koepelgewelf aanzet. De bodem van de sleuf was voorzien van bakstenen en nabij de toegang of uitgang was sprake van twee of drie op regelmatige afstand geplaatste treden. De toegang ligt aan de zuidkant. Op halfsteens afstand van de ringmuur was een twee steens brede en 6 lagen hoge ring van baksteen aangebracht. De bodem van de toegangssleuf liep door tussen de halfsteens brede smalle ruimte, die aanwezig was tussen de hogere ringmuur en de lage tweede ring. De bodem binnen de tweede ring was voorzien van zand. De twee volumes, die het grondplan van de ijskelder vormgaven, waren een cirkel en een langgerekte rechthoek. De cirkel beslaat de kelder, de langgerekte rechthoek de gang die vanaf het maaiveldniveau toegang geeft tot de kelder. De middellijn van de gang volgt de middellijn van de cirkel. Van de tweeëntwintig nog bestaande baksteenlagen vormden de laatste zeven lagen een deel van het gewelf van de kelder. Bij de gang restte nog slechts de aanzet van de overwelving. Uit het inmeten en tekenen bleek dat de straal van de binnenmaat van het hoge, staande muurwerk van de kelder ca. 226 cm was. De kelder was oorspronkelijk opgebouwd uit een trommel of tambour van ongeveer vijftien lagen hoog, met een straal van 226 cm en een steens muurdikte. Op de tambour was de koepel geplaatst, waarvan het porringspunt op de helft van 226 cm lag en de porring zelf een gelijke maat had. De koepel volgde de gelijke maat en vorm van de plattegrond alleen staand of in verticale zin. De graden van gewelfaanzetten bij de resten op de staande muren van de gang correspondeerden geheel met het al genoemde porringspunt van de koepel, waardoor voor de gang sprake was van een andere kortere porringsmaat van ca. 56 cm. Hierdoor was het gewelf van de gang niet bepaald door een halfcirkelboog maar door een segmentboog. Een sterke wiskundige of mathematische achtergrond bij de vormgeving van de ijskelder is niet ondenkbeeldig, mede omdat andere maten schijnbaar binnen het systeem van de cirkels werden gevonden. De breedte en de hoogte van de lage, iets van de tambour geplaatste binnenring sloot naadloos aan op de staande cirkel, die de binnenmaat van het koepelgewelf bepaalde. De buitenmaat van de gang was gelijk aan twee keer de porring van ca. 56 cm. Met andere woorden, het doordraaien van de binnencirkel die mede het gewelf bepaalde, stemde overeen met de buitenmaat van de gang. Een andere bijzonderheid was, dat drie keer de porring van ca. 0,56 m plus de steenmaat gelijk was aan de maat van het begin van de gang tot aan de binnenring. De ijskelder was opgetrokken uit een rood waalformaat handvormsteen (230 x 115 x 54 mm.), tien lagen met voeg hadden een maat van 61,6 cm. Het wildverband metselwerk was opgebouwd uit strekkenlagen, afgewisseld door koppenlagen. Het is een type steen die de ambachtelijke traditie van de eerste helft van de negentiende eeuw in zich draagt, maar qua formaat al aansluit bij de toenemende mechanisatie in de baksteenindustrie en daarom omstreeks 1860 te dateren is. De westelijke muur van de gang nabij de toegang had een uitsparing, die mogelijk informatie gaf over de afsluiting van de toegang. Verder in de gang, nabij de laatste tree, vertoonden beide wanden sporen van een raaplaag of mortelresten, die ook een relatie met een tweede afsluiting van de kelder gehad kan hebben. Restaurateur Th. J. Wit van A & L (restauratie van Architectuur & Landschap) te Amsterdam vervaardigde tussen 2002-2004 het restauratieplan voor de ijskelder van Vilsteren. Restauratie volgde in 2005. Opvallend was de gaafheid en de resten van het nog bestaande werk van de kelder na de ontgraving die voorafging aan de restauratie. De ijskelder staat op dit moment leeg en is onbewoond. Er zijn geen vleermuizen aanwezig.

4b. Beschrijving; typologie, afmetingen, gebruikte materialen
De ijskelder heeft een grondplan dat bestaat uit een smalle rechthoek die zuidelijk met de frontmuur de toegang vormt en waarvan een korte zijde tegen het cirkelvormige grondplan van de ringmuur de ijskelder is geplaatst. De ijskelder valt onder type 3, dat wil zeggen dat de bakstenen hoofdruimte van de ijskelder een bakstenen koepelgewelf heeft. De frontmuur bevat een centraal geplaatste grenen deur met een flauwe segmentboog met boven en aan de staande zijden steens schoonmetselwerk en rollaag. Boven en nabij de frontmuur zijn grondkeringen aangebracht met forse natuurstenen keien. De groene opgeklampte deur is afgehangen met hengen aan in het metselwerk geplaatste duimen en heeft een ring als deurgreep. Hout, ijzermaten en kleuren van de herstelde onderdelen volgen de traditie van de landelijke bouwkunst van omstreeks het midden van de negentiende eeuw. De deur is teruggeplaatst in de gang, zodat de deur ‘droog’ hangt binnen een overstek Na de toegang volgt een smalle bakstenen gang of portaal met een langgerekt troggewelf dat tegen het koepelgewelf eindigt. Het portaal of de sluis heeft de volgende maatvoering: L = 170 cm, B = 64 cm en H = 122 cm. Het bestrate vloervlak van het portaal bevat voorin twee dalende treden en eindigt bij de rand van de ijsput. Een tweede deur of los luik dat oorspronkelijk halverwege de gang aanwezig was, ontbreekt. Het schoonmetselwerk is in koppen- en strekkenlagen uitgevoerd. De ijskelder heeft een cirkelvormige steens bakstenen trommel waarop een steens koepelgewelf aansluit. Een halve steen breed van de ringmuur is een steens ca. 30 cm. hoge tweede ringmuur aanwezig, waarop een houten ijsrooster is aangebracht. De vloer van de gang loopt tussen de trommel en de tweede ringmuur door. Binnen de tweede ringmuur bestaat de bodem uit een puinbed en zand. De ijskelder is klein van formaat. De ijsput heeft een diameter van 216 cm. De totale hoogte van het grondvlak van de ijsput tot aan de gewelftop bedraagt ca. 200 cm. De gebruikte stenen van de ringmuur en sluis bestaan uit waalformaat handvormstenen in een rode kleur. De restauratie volgde geheel de oorspronkelijke opzet van de kelder. Buiten is de ijskelder met aarde afgedekt en met bomen en struikgewas begroeid. In de directe nabijheid van de ijskelder ligt de gegraven vijver volgens het ontwerp van G. A. Blom, de vijver waaruit mogelijk ijsblokken
werden gezaagd en vervolgens in de ijskelder werden bewaard. De gewelfkruin van de koepel heeft geen vulgat. Het voegwerk binnen en buiten is in crème- witte kleur uitgevoerd, de ondergrondse zijden van de ijskelder zijn vertind. De deur van de ijskelder is niet voorzien van een slot.

4c. Porringpunt
De porring is de denkbeeldige lijn die tussen het gewelf en het draaipunt of porringpunt ligt en waarmee de boog van het gewelf bepaald kon worden. Het porringpunt van het ijskeldergewelf ligt op de hoogte van de kruin van de tambour en halverwege de 226 cm. De maat van de middellijn van de binnenmaat van de tambour van 226 cm komt vrijwel overeen met een halve Zwolse of Sallandse Roede; 453 cm: 2 = 226,5 cm.

4d. Opmerkingen
De huidige staat van de ijskelder is goed. Er is overwogen om een vulgat in de kruin van het koepelgewelf aan te brengen, maar dit is niet uitgevoerd. De ijskelder en de directe omgeving zijn volledig gerestaureerd en hersteld in 2005. De ijskelder maakt deel uit van een ensemble en wordt niet afzonderlijk beschreven in het register van de RCE. Algemene conclusie: uitstekend.

Oriëntatie en ligging van ijskelders
De oriëntatie van de ingang van de ijskelders is in 90% gericht op de koude kant; het noorden. Er is één uitzondering en dat is de ijskelder van het Landgoed Vilsteren, waarbij de ingang een oriëntatie heeft op het zuiden. De ijskelder van Landgoed Vilsteren is waarschijnlijk het draaipunt van een kleinschalige aanleg nabij het huis Vilsteren, ontworpen door de Zwolse tuinarchitect G. A. Blom (1765-1827) en daarom ligt hij op het zuiden. De meeste ijskelders liggen hoog gelegen in het landschap. Opvallend is dat de ijskelders die hoog gelegen zijn ook beter bewaard gebleven zijn. De laag gelegen ijskelders hebben vermoedelijk problemen gehad met de afvoer van het smeltwater en waren daardoor kwetsbaarder voor verval dan de hoger gelegen ijskelders. De ijskelders zijn heel gespreid gebouwd. De meeste ijskelders zijn gelegen bij een poel, vijver of wetering en betrokken daaruit hun ijs. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) liggen alle kelders met hun top boven NAP, maar de hoogtes boven NAP zijn nogal verschillend.

Vorm, bouwjaar en bijzondere kenmerken
Opvallend is dat alle ijskelders verschillend zijn qua architectuur. De ijskelder van de Ommerschans heeft een tongewelf als hoofdruimte, de overige kelders hebben een koepelgewelf en zijn dus rond.

Bodem ijsput en vulgat
De bodem van de ijsput bestaat meestal uit een puinbed of een mengsel van puin en aangestampt zand. Soms is een bodem bestraat zoals bij de ijskelder van De Ommerschans (1819). De ijsputten van Eerde (1860) en Vilsteren (1865) waren voorzien van een houten rooster op de bodem. De meeste ijskelders hebben een afvoer gehad voor het smeltwater.

Restauratie
Opvallend is dat bijna alle onderzochte ijskelders gebouwd zijn in de negentiende eeuw. De jongste ijskelders zijn de ijskelders van Vilsteren (1865) en van Eerde (1860). Afgezien van klein onderhoud hebben alle ijskelders aantoonbaar één of meerdere restauraties ondergaan in de loop der jaren. Opvallend is dat veel restauratiewerkzaamheden zijn uitgevoerd in de jaren tachtig van de vorige eeuw (Eerde en Het Laar ). Toen werd namelijk een subsidieregeling van kracht, waarbij een buitenplaats met al zijn gebouwen, ijskelders en tuinen inbegrepen, als een geheel werd gezien. Over de kwaliteit van diverse restauraties valt op te merken dat zij van heel uiteenlopende kwaliteit is. In 2005 is de ijskelder van Vilsteren (1865) gerestaureerd, de restauraties zijn uitstekend uitgevoerd. Kleine onderhoudswerkzaamheden aan verschillende onderdelen van de ijskelders zijn goed zichtbaar en hebben waarschijnlijk door de jaren heen altijd plaatsgevonden. Hierover zijn geen gegevens en data bekend.

Huidig gebruik
De meeste ijskelders zijn ingericht als overwinteringsplaats voor vleermuizen. Een of meerdere vlieggaten zijn aangebracht in poort of deur. Soms zijn er extra muren gemetseld voor de vleermuizen, zoals in de ijskelder van de Ommerschans (1819). Bij restauratiewerkzaamheden is rekening gehouden met de bestemming voor vleermuizen door voegwerk op dusdanige wijze uit te voeren, dat vleermuizen zich in de ijskelders kunnen nestelen. De ijskelder van Vilsteren (restauratie 2005) is ingericht als vleermuizenverblijf, maar tot op heden (2011) is daar nog geen vleermuis aanwezig.

Huidige staat
De huidige staat van het merendeel der ijskelders is over het algemeen goed. De ijskelder van Vilsteren (1865) is compleet gerenoveerd. De ijskelder van Eerde (1860) en van Het Laar ( 19e eeuw) zijn bijzonder gave exemplaren. Alleen de ijskelder van De Ommerschans (1819) is matig. Het opstellen van een plan van aanpak is een wenselijk plan en ligt in de rede.

Eigendomsstatus en beheer
De eigendomsstatus van de onderzochte ijskelders verschilt evenals het beheer ervan. De ijskelder van Vilsteren (1865) is ondergebracht in een besloten vennootschap. Staatsbosbeheer is eigenaar van de ijskelders van Eerde (1860) en De Ommerschans (1819). De gemeente Ommen is eigenaar van de ijskelder van Het Laar (19e eeuw).

Doelmatige administratieve ordening
Er is veel mis met de administratie van de ijskelders. Uit dit onderzoek blijkt dat de gegevens van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in sommige gevallen niet zijn geactualiseerd. Nummers uit het Monumentenregister van het RCE zijn bijvoorbeeld niet in overeenstemming te brengen met de nummers van monumenten in KICH en in de Cultuurhistorische Atlas van Overijssel. Complexnummers worden gemist, evenals een correcte aansluiting met de nummering naar het KICH geo-object. Bij monumentennummering en foto’s van objecten mist eenduidigheid, soms heeft een ijskelder een afzonderlijk nummer of valt onder een complexnummer. Beschrijvingen van ijskelders lijken daarnaast gebaseerd op een globale inschatting van het exterieur en zijn daardoor minder bruikbaar en doelmatig. Aandacht voor uniformiteit in nummering, systematische beschrijving van de objecten en juist beeldmateriaal zijn belangrijke bijdragen aan doelmatige instandhouding van ons cultureel erfgoed in Nederland.

Behoud
Hoe de kelders moeten worden behouden, zal worden afgemeten op grond van waarde die men aan deze kelders toewijst. Wordt er vooral een natuurhistorische waarde aan toegeschreven, en de ijskelder vooral gezien als vleermuiskelder, dan zal men wellicht anders omgaan met het
onderhouden ervan, dan wanneer men een vooral cultuurhistorische waarde eraan hecht. De samenleving verandert voortdurend en het gebruik en de functie van historische objecten laten hun sporen achter op het gebied van cultuur- en natuurhistorische waarden. Verschillende perspectieven en belangen spelen hierbij een rol. Het behoud en versterken van de natuur en de landschappelijke waarde, waarin flora en fauna tot hun recht komen en evenwichtig beheerd worden, is belangrijk voor de toekomst, zodat de natuurhistorische, educatieve en landschappelijke waarden behouden blijven. Ook cultuurhistorische elementen zijn onvervangbaar en moeten daarom herkenbaar blijven en in stand worden gehouden. Cultuurhistorie is meer dan de optelsom van bewaard gebleven objecten. De vraag is hoe men aan de hand van die overgebleven objecten cultuurhistorie en vooral ook haar dynamische ontwikkeling inzichtelijk kan maken. Het behoud van cultuur- en natuurhistorische waarden is de laatste jaren een beleidsonderwerp geworden voor veel instanties. Soms lijkt er sprake te zijn van een belangentegenstelling tussen deze waarden. Voor het behoud van ijskelders en vleermuizen speelt deze discussie niet. Cultuur en natuur gaan hier prima samen.

Natuurhistorische belangen
Veruit de meeste ijskelders worden tegenwoordig als overwinterplaats voor vleermuizen gebruikt. Bij een debat over het behoud van de kelders dient dit natuurhistorisch perspectief dan ook te worden meegewogen. In Nederland komen negentien vleermuissoorten voor. Meer dan de helft hiervan overwinteren in gebouwen. Tussen die soorten zijn er allerlei verschillen. Zo zijn er zeldzame en algemene soorten, kleine en grote soorten, vroeg vliegende en laat vliegende vleermuizen. In de ijskelders van Eerde en Schoonheten komt de zeer zeldzame Bechstein’s vleermuis voor naast andere vleermuissoorten. Omdat het een plek is waar zeer zeldzame vleermuizen voorkomen, moet het behoud van die kelders afgestemd worden op het behoud van deze soorten. Dat betekent bijvoorbeeld dat kieren en gaten (open voegwerk) niet gedicht mogen worden, omdat zij juist daar overwinteren.

Cultuurhistorische belangen
IJskelders, als onderdeel van ons culturele erfgoed, zijn belangrijk objecten die behouden moeten blijven. Maar behoud betekent ook onderhoud en restauratie. De discussie over de wijze van behoud van cultuurhistorisch erfgoed is niet nieuw. In de monumentenzorg zijn door de tijd heen voortdurende discussies geweest hoe objecten, gerestaureerd of bewaard moesten worden voor het nageslacht. Hoe ouder het object, hoe ingewikkelder de discussie. Deze oude objecten bevatten vaak elementen uit verschillende cultuurhistorische perioden. De restaurateur en opdrachtgevers worden daardoor voortdurend voor moeilijk oplosbare problemen geplaatst. Moet een object in zijn oorspronkelijke staat worden hersteld en daarmee voor lief worden genomen dat elementen, die iets vertellen over latere periodes, verdwijnen? Wat maakt dat oorspronkelijke waardevoller dan de latere toevoegingen? Vooral kunsthistorici en bouwkundigen zijn met die vraag bezig en hun antwoorden zijn niet eenduidig. Die worden namelijk niet alleen bepaald door het object zelf, maar vooral door de heersende restauratienormen in de periode toen het antwoord is bedacht. De beleving van het verleden is minstens zo dynamisch als dat verleden zelf. IJskelders kunnen het beste gerestaureerd worden naar de periode waarin ze voor het laatst operationeel waren, zodat later toegevoegde elementen altijd zichtbaar blijven en in de toekomst alsnog reversibel zijn.

Cultuurhistorische en natuurhistorische belangen
Dat de meeste ijskelders op een buitenplaats staan, is ook hun redding geweest. Als onderdeel van de buitenplaats stonden ze niet in de weg. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werd een subsidieregeling van kracht, waarbij de buitenplaats met al zijn gebouwen en tuinen als één geheel werd gezien. Aan de ene kant waren deze subsidiemogelijkheden een mooie stimulans om de ijskelders te restaureren. Aan de andere kant zag men een aantal decennia geleden dat het merendeel van onze beschermde vleermuizensoorten sterk was achteruitgegaan door het verdwijnen van de leef- en jachtgebieden, zomer- en winterverblijfplaatsen en het gebruik van pesticiden. Het bleek mogelijk bij restauratiewerkzaamheden rekening te houden met deze bedreigde diersoort zonder dat het daarbij ten koste ging van de cultuurhistorische waarde. Er werden voor de vleermuis vlieggaten aangebracht in de houten deuren. Muren of muurdelen werden voorzien van een open voeg voor overwinteringsplaatsen van de vleermuis. Tegelijkertijd zorgde dit ervoor dat de ijskelders met rust gelaten werden, wat ten goede van beide belangen komt.

Bezuinigingen
In het kader van de bezuinigingen is een op hand zijn fusie van de drie grote natuurorganisaties, Staatsbosbeheer, De 12 Provinciale Landschappen en Natuurmonumenten, in de komende jaren te verwachten. Eén aanspreekpunt voor overheidsinstanties zoals provincie en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is naar verwachting beter voor het behoud van ons culturele erfgoed. *1)

Aanbevelingen
Een doelmatige administratieve ordening van archeologische objecten is als vanzelfsprekend van essentieel belang. Echter, met dit onderzoek blijkt dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, als onderdeel van het ministerie van O C & W, t.a.v. de ijskelders in Salland kampt met een administratieve achterstand. Gegevens over ijskelders lopen achter en zijn niet geactualiseerd. Daarnaast is de administratie van het Monumentenregister niet op orde. Nummers uit het Monumentenregister van het RCE komen niet overeen met de nummers van monumenten in KICH en in de Cultuurhistorische Atlas van Overijssel. Complexnummers worden gemist, evenals een correcte aansluiting met de nummering naar het KICH geo-object. Bij monumentennummering en foto’s van objecten mist eenduidigheid, soms heeft een ijskelder een afzonderlijk nummer of valt onder een complexnummer. Aandacht voor uniformiteit in nummering, systematische beschrijving van objecten en juist beeldmateriaal zijn belangrijke bijdragen aan een doelmatige instandhouding. Beschrijvingen van ijskelders lijken bovendien gebaseerd op een globale inschatting van het exterieur en zijn daardoor minder bruikbaar en doelmatig. Verwarrende omissies ontstaan zoals bij de ijskelder van de Ommerschans, waar een koepelgewelf wordt beschreven, terwijl sprake is van een (uniek) tongewelf. De omschrijving van veel ijskelders is soms te summier en missen overeenkomst(en) met de feitelijke omstandigheden. Daarom wordt hier met kracht aanbevolen meer aandacht te besteden aan de nummering en
beschrijving van de ijskelders.

Beheer, behoud en bescherming
Voor de ijskelder biedt een beheer in samenhang met een groter geheel of als onderdeel van een groter complex, zoals een historische buitenplaats, de meeste overlevingskansen. Door samenhang of als onderdeel is er toegang tot instandhoudings- of onderhoudssubsidies. Het instandhoudingsbelang in algemene en in culturele zin staat dan vast en is reeds gewogen. Het is daarom belangrijk om de bouwkundige staat van ijskelders goed in beeld te brengen. Wanneer men over behoud en bescherming spreekt, dient verder nagedacht te worden over mogelijkheden van een doelmatige herbestemming.

Restauratie en onderhoud
De ijskelder van de Ommerschans verkeert in een matige conditie. Een plan van aanpak is gewenst, omdat het de enige ijskelder in Salland is met een tongewelf. Inrichten als verblijfplaats voor vleermuizen Het is niet erg om ijskelders als vleermuiskelders in te richten. Bij het inrichten van een ijskelder als verblijfplaats voor vleermuizen is het alleen wel belangrijk te letten op de basisvoorwaarden waaraan moet worden voldaan voor een geschikte winterverblijfplaats. Het is aan te bevelen om vleermuiskasten op te hangen in plaats van het metselen van muren, zoals dit heeft plaatsgevonden in de ijskelder van de Ommerschans. Vleermuiskasten zijn verplaatsbaar en doelmatiger, het metselen van muren in een ijskelder geeft te denken en tast de cultuurhistorische waarde van de ijskelder aan. De hoge vochtigheidsgraad ten behoeve van de vleermuizen kan leiden tot het uitzetten van deuren en kozijnen, zodat regelmatig onderhoud noodzakelijk blijft.

Beeldbank Cultureel Erfgoed Overijssel
Geschiedenis leeft! Geschiedenis en historische informatie over ons culturele erfgoed spelen een belangrijke rol in onze samenleving. Ons verleden is een openbaar en rijk bezit, voor iedereen toegankelijk en is bij wet beschermd. De identiteit van Salland wordt versterkt door een levendig besef van haar verleden. Het verdient daarom aanbeveling om de foto’s van de ijskelders in Salland op te nemen in een beeldbank, zodat de foto’s digitaal voor iedereen toegankelijk zijn.

Historische belevenis
De historische belevenis staat tegenwoordig volop in de belangstelling en dit wordt steeds belangrijker. Elk restant van een cultuurhistorisch verleden is uniek en moet op zichzelf beoordeeld worden op gronden van erfgoedwaarde. Daarom verdienen deze ijskelders de aandacht en zijn ondanks een ijskoud verleden een warme bron aan cultuurhistorische informatie voor de komende generaties (Bemboom, 2010-2011).

*1) Natuurmonumenten: 770.000 leden, 100.000 hectare in eigendom, 600 werknemers, exploitatiebudget 80 miljoen euro. Staatsbosbeheer: geen leden maar 70.000 sympathisanten, 250.000 hectare, 1000 werknemers, exploitatiebudget 145 miljoen. De 12 Landschappen: 300.000 leden, 107.000 hectare, 12 werknemers (gegevens van 2010).

Bron: Willem Bemboom (archeoloog) – 3 september 2014

5 Reacties »

• • •

5 reacties »