7 juni 2017

De bronnen van de Vecht

Categorie: Algemeen, Harry Woertink.    1.511 keer gelezen.

Beschrijving van een reis naar de bronnen van de Vecht.

 Onder het altaar van de kerk van Schöppingen een bronnetje van de Vecht.
Foto: Harry Woertink
Zie voor meer afbeeldingen het album “De bronnen van de Vecht

De reis begint in Ommen en gaat tegen de stroom van de Vecht in richting Duitsland. Via Hardenberg en Gramsbergen bij Laar de Duitse grens over. Dan via Emlichheim en Neuenhaus naar Nordhorn. Vervolgens richting Bad Bentheim. Van Bad Bentheim via Ochtrop, Metelen, Schöppingen en Eggerode naar Darfeld, waar de bronnen liggen van de Vecht.

Waar ontspringt de Vecht?
De Vecht ontspringt in het golvende landschap van de Baumberge in het Duitse Münsterland. Kwelzones hier vormen de bronnen voor riviertjes die in alle windrichtingen afstromen. Het laaggebergte van kalkgesteente met veel ondergrondse spleten en gangen zorgt er voor dat regenwater makkelijk diep weg zakt in de onderliggende kalkgesteenten. Het water komt weer te voorschijn in bronnen die uiteindelijk de Vecht voeden. Deze bronnen zijn te vinden bij kasteel Darfeld en iets zuidelijker van Darfeld bij Oberdarfeld op het erf van boer Bertmaring. Bij Eggerode op de plek waar de Rockeler en Burlöer Bach samenvloeien samen komen gaat het riviertje verder als ‘Vechte’. Dit is ongeveer vijfhonderd meter vanaf de kerk bij een bruggetje waar een grote veldsteen de stroompjes markeert. Een bronnetje onder het altaar van de kerk in Schöppingen voedt eveneens de Vecht. Verder ontspringen op de Baumberge de Berkel en de Dinkel. De Dinkel zoekt zijn weg richting Twente en kronkelt met de grens mee over Nederlands grondgebied en mondt uit in de Vecht bij Neuenhaus. De Vecht vindt zijn weg door Duitsland om bij Gramsbergen aan de Holthemersteeg Nederland binnen te stromen.

Laar
Het eerste dorp over de grens op Duits grondgebied is Laar. Laar is een landelijk dorpje met een oude molen in Bentheimer zandsteen. Een molenstichting onderhoudt de molen bij het evenemententerrein pal aan de Vecht. Daar ligt ook een nagebouwde zomp afgemeerd, die toeristen over de Vecht vervoerd. Ook Gramsbergen heeft sinds mei 2017 een (elektrisch aangedreven) zomp met de naam ‘Grammesberghe’ voor toeristische vaartochten over de Vecht tussen Gramsbergen, Coevorden en Duitsland. De nieuwe zomp is twaalf meter lang en biedt plek aan 25 mensen.

Emlichheim
Emlichheim is een dorp en gemeente in de Duitse deelstaat Nedersaksen, district Grafschaft Bentheim. Door Emlichheim loopt de spoorlijn van de Bentheimer Eisenbahn. De spoorlijn loopt weliswaar tot aan Coevorden, maar er rijden enkel nog goederentreinen in de andere richting, met Emlichheim als eindpunt. Emlichheim is een zelfstandige gemeente. Daarnaast heeft ze een volwaardig gekozen bestuur met de buurgemeenten Hoogstede, Laar en Ringe. Aan de straat Am Kirchplatz bevindt zich een Westfaalse hallenkerk uit 1150 die is opgebouwd uit blokken Bentheimer zandsteen. Het is nu een gereformeerde kerk.

Neuenhaus
De Dinkel mondt hier uit in de Vecht. Op deze plek was eeuwenlang een belangrijke overslagplaats gevestigd. De graven van Bentheim hadden voor hun transporten van ondermeer Bentheimer zandsteen groot belang bij de overslagplaats. Daarom ook dat zij hier in 1290 de burcht Dinkelrode bouwden, mede ter verdediging tegen de Twentenaren. Neuenhaus ontwikkelde zich als plaats en kreeg in 1369 stadrechten. De zaalkerk dateert uit 1684. Bij de monding is een kunstwerk van het project Kunstwegen te bewonderen. In het centrum herinnert een koperen ‘paard en handelaar’ aan de vroegere grote veemarkt waar Neuenhaus bekend om stond. Ook is hier nog een oude waterradmolen te zien.

Klooster Frenswegen
Klooster Frenswegen werd in 1394 gesticht als Augustijnen-monnikenorde St. Marienwolde op de oever van de Vecht, net onder de rook van Nordhorn. Het dus van oorsprong katholieke klooster is nu een oecumenisch opleidings- en ontmoetingscentrum. Ook worden er concerten gehouden. De deur is meestal open en binnen krijgt men een mooi zich op de gangen en ook op het binnenpleintje van het klooster. Het kloostercafé met terras is ook bijna dagelijks geopend. Graaf Bernhard I von Bentheim stichtte het Augustijner klooster in 1394. Dit klooster was altijd een toevluchtsoord voor katholieke spiritualiteit. Tegenwoordig doet Frenswegen dienst als geestelijk en sociaal centrum in de geest van de oecumene en tolerantie. Zes verschillende kerken vormen de basis van de stichting die als doel heeft dit oord van bezinning en vorming te behouden. Vanaf 1400 maakte Frenswegen onderdeel uit van de Windesheimer klooster congregatie en werd de toegangspoort voor vernieuwingsbeweging Moderne Devotie. Een dieptepunt volgde in 1401 toen alle broeders op één na door de pest werden geveld, echter korte tijd daarna kreeg het klooster een bloeitijd tot 1534. Moeizaam overleefde het klooster nog de Reformatie en de 30-jarige oorlog. Maar evenals de laatste van de vele Windesheimer kloosters raakte ook Frenswegen in de Franse tijd in verval. Het gebouwencomplex takelde daarna steeds verder af. In de 70e jaren van de vorige eeuw kwam het initiatief om het klooster te restaureren en een nieuwe bestemming als vormingscentrum te geven.

Nordhorn
Nordhorn is het levendige centrum van het Grafschaft Bentheim. Gelegen aan de postweg van Nederland naar Munster en aan de Vecht lag Nordhorn gunstig gesitueerd. In 1379 heeft graaf Bernard I von Bentheim stadrechten verleend. In diezelfde eeuw werd ook de huidige kerk aan het marktplein gebouwd. Alle eeuwen daarna was het scheepvaartverkeer van groot belang voor Nordhorn. In de 18e en 19e eeuw bloeide Nordhorn en werd door de kooplieden goed geld verdiend in de transitohandel. Een tocht over water vanuit Nordhorn ging soms in één keer door via de Zuiderzee naar Amsterdam. Maar meestal vond in Zwolle de overslag plaats voor het vervoer van goederen naar de steden in het achterland. Zwolle was het centrum voor de beurtschippers. Langs de Vecht woonden z’n 77 schippers, waarvan dertien in Nordhorn. De voormalige textielstad is tegenwoordig een geliefde bestemming voor cultuurliefhebbers en winkelend publiek. De schilderachtige binnenstad wordt door de Vecht als een eiland omsloten. De dierentuin ligt ook aan de Vecht. Van hieruit wist in 2004 het zeehondje Hannes te ontsnappen om uiteindelijk in de Vecht bij Dalfsen weer boven te komen. Het stadsmuseum bevindt zich in de toren van de voormalige spinnerij. Rode draad is de stadsgeschiedenis van de 20e eeuw, die nauw is verweven met de opkomst en ondergang van de textielindustrie. Rondom de Bussmaate, behorend tot de vroegere textielgigant Rawe & Co. is woningbouw geprojecteerd. De “Alte Weberei” is tegenwoordig het culturele centrum van Nordhorn. Er worden concerten gegeven en men kan er tentoonstellingen bezoeken. Ook is hier het kantoor van het project kunstwegen ondergebracht.

Bad Bentheim
Op een rotsplateau ligt Bad Bentheim met al van ver zichtbaar de Middeleeuwse burcht, 100 meter hoog met kruittoren. De burcht laat zich terugvoeren in de tijd van de Romeinen. De stad kent smalle steegjes, trapjes en gerestaureerde huisjes. De langgerekte zandsteenrug is eeuwenlang voor de Graven van Bentheim de geldmaker geweest. Op de in Bentheim en Gildehaus gedolven zandsteen was hun rijkdom en macht gebaseerd. Want duizend jaar lang was de grauwgele zandsteen een zeer begeerd product voor de vervaardiging van ornamenten en voor de bouw door Noord-Duitse en Nederlandse bouwers van kerken, kastelen en patriciershuizen. Bad Bentheim wordt in de annalen al genoemd in 1050 als Heilbad, een kuuroord met zout- en zwavelbronnen.

Wasserburg Haus Welbergen, Bertha Jordaan-van Heek Straße 1 • 48607 Ochtrup
Haus Welbergen is eigendom van de Bertha Jordaan-van Heek Stichting. Op de toegangsweg naar het kasteel en de watermolen met graanspieker komen we Nepomuc tegen, de beschermheilige van de bruggen, schippers, (waterrad-)molenaars en alle beroepen die met riviervaart te maken hebben. Het door water omringde herenhuis is vanaf de binnenplaats alleen toegankelijk via een smalle brug. De voorburcht bestaat uit een binnenplaats met boerderij, met aan de oostkant de stallen en bijgebouwen. Daaraan ligt de tuin, die aan de grachtenkant door een muur met ronde hoektorentjes wordt afgesloten. In het midden van deze muur is bovendien een kapel met een vierkante toren aangelegd. Zo doet de burcht, in zijn ontwerp, denken aan een middeleeuws kasteel. Huis Welbergen heeft een belangrijke historische band met Enschede en de familie van Heek. De textielondernemers van Heek uit Twente hebben in de afgelopen eeuwen een belangrijke invloed gehad op de cultuurwaarden in Nederland en ver daarbuiten. Zowel de beeldende kunst en historische gebouwen hadden een grote aantrekkingskracht op de van Heek’s. Het was Bertha Jordaan van Heek [1876-1960] de dochter van Gerrit Jan van Heek die al op jonge leeftijd geïnteresseerd was in de schilderkunst. Haar grote voorbeeld was Alexis Vollon in Parijs waar ze schilderlessen volgde. In Parijs ontmoette ze de bankier Jan Jordaan een telg uit de Twentse textiel industrie. In 1907 trouwde het echtpaar en is altijd kinderloos gebleven. Vele schilderstukken van Bertha Jordaan van Heek hangen in het Huis Welbergen. De geschiedenis van de Burcht gaat terug naar het jaar 1282 waar de naam van de Herren van Welbergen al beschreven staat. Door de loop der eeuwen is deze “Hofplatz” in het bezit van verschillende families geweest. In het midden van de 16e eeuw werd het omgebouwd tot een waterburcht. In de achttiende eeuw heeft de huidige omvang en stijl vorm en inhoud gekregen.

Huis Welbergen gebouwd uit voornamelijk bakstenen en voorzien van zandstenen kozijnen. Een ingetogen architectuur met een rijke omgeving en het geheel voorzien van een fraaie gracht die door de Gauxbach voorzien werd van water. Zelfs aan een eenvoudige ophaalbrug ontbreekt het niet. Bertha van Heek – Jordaan kocht de min of meer vervallen Wasserburg Welbergen in 1929 voor 180.000 Nederlandse guldens. Het geheel bestond uit een Burcht, een watermolen een korenspieker, dertien boerderijen en 625 hectare grond waarvan het Gildehauservenn deel uitmaakte. Na de dood van Bertha van Jordaan-van Heek in 1960 is het totale bezit van Haus Welbergen ondergebracht in een stichting. Doelstelling van de stichting Bertha Jordaan-van Heek is de instandhouding van het totale bezit alsmede de kunstzinnige uitwisseling tussen Duitsland en Nederland. Huis Welbergen heeft een belangrijk archief waaronder de correspondentie van Baron von Furstenberg en Prinses van Gallitzin. Huis Welbergen wordt momenteel niet bewoond en uitsluitend gebruikt voor vergaderingen en bijeenkomsten. Op verzoek is het huis en de kunstcollectie voor groepen te bezichtigen. De openbare ruimten zoals de tuinen en het park zijn voor publiek het gehele jaar toegankelijk. De molen bij de ingang van de voorburcht is in zijn huidige vorm tussen 1625-1632 gebouwd en was eerst als oliemolen en vanaf 1699 ook als papiermolen in bedrijf. Daarna werd de molen aan het begin van de 19e eeuw tot maalmolen omgebouwd. Er tegenover ligt de hoge graanopslag, die ook stamt uit het begin van de 19e eeuw. Het sfeervolle tuincomplex bij Huis Welbergen ontstond op de voormalige plek van twee boerenschuren. In 1962 legde de stichting een prachtige geometrische tuin aan onder leiding van Egon Barnard naar historisch voorbeeld. Bij de tuinplanning in die tijd hoorde ook een bron in het centrum van de tuin die naar voorbeelden uit de renaissance werd vervaardigd.

Alter Posthof
Naast Huis Welbergen, vroeger gelegen op een heel oud kruispunt van wegen, staat het in 1598 gebouwde Alter Posthof. Vroeger was het een halte voor de met paarden gespannen postwagens en een logement voor reizigers. Alter Posthof heeft tot 2010 dienst gedaan als restaurant en kwam daarna. Tot 2012 want toen vestigde zich een fitnessclub in het meer dan 400-jarig historische gebouw.

Brüningmolen aan de Vechte
Ten noorden van Schöppingen ligt aan de Vecht het gehucht Haverbeck (voorheen genaamd Stockum). Ongeveer 1720-1730 werd hier kasteel (waterburcht) Stockum gebouwd. Deze is in 1799 verwoest door brand en in 1830 afgebroken. De fraai gelegen Brüning (water)molen aan de Vecht (gebouwd in 1710) en de Stockumer kapel (1707) zijn de enige overblijfselen van de voormalige waterburcht. De van oorsprong graan- en oliemolen deed in de 19e eeuw dienst als houtzagerij en later als jachthuis. In de kapel werden missen gehouden door de Franziskanerpaters uit Münster. In 1986 heeft de Haverbecker schietclub, die de kapel als clubhuis in gebruik heeft, de kapel gerestaureerd.

Schöppingen
In het stadje Schöppingen bevindt zich een bron die ook voeding geeft aan de Vecht: onder de oude hallenkerk borrelt kristalhelder water. Een ondergronds buizenstelsel komt er aan te pas voordat het water uiteindelijk de Vecht bereikt. Het gaat om de St. Brictiuskerk, gebouwd op deze op een oude Vechtbron. Het altaar staat op de bron die ook buiten achter de kerk te zien is. Tijdens de Saksenoorlogen (772–804) wist Karel de Grote zijn gebied uit te breiden naar o.a. het Münsterland. In de veroverde gebieden stichtte men op afstanden van dagmarsen meerdere militaire posten bij koningshoven, waarop kerken werden gebouwd die als centra van de missionering moesten dienen. Ze werden aan Frankische heiligen gewijd en voor de kerk van Schöppingen werd dat de heilige Brixius van Tours. De kerk van Schöppingen werd op een Saksische vluchtburcht gebouwd, waar eerder ook recht werd gesproken en die wellicht tevens door de Saksen voor religieuze samenkomsten werd gebruikt. Het eerste kerkgebouw was ongeveer 8 bij 15 meter groot en waarschijnlijk al van steen gebouwd. Rond 1100 vond er nieuwbouw van de kerk plaats. Uit deze tijd stamt nog de massieve toren, die in 1230 met een verdieping voor de klokken werd verhoogd en toen de huidige vorm met de trapgevels kreeg.

Omstreeks 1390 bouwde men buiten de karolingische kerkburcht de stad Schöppingen met bewalling en grachten, twee poorten en een centraal gelegen raadhuis. De kerk lag nu buiten de versterkte plaats. Tijdens de Münsterse stichtsvete op 30 april 1453 brandde de kerk tot op de toren en buitenmuren af. Nog altijd zijn er brandsporen te vinden aan de toren. Het kerkgebouw werd als tweeschepige, gotische hallenkerk herbouwd, waarbij het hoofdaltaar weer op exact dezelfde plek als het oude hoofdaltaar werd geplaatst. Het beroemdste kunstwerk in de kerk is het geschilderde vleugelaltaar van de niet bij name bekende “Meester van Schöppingen”. Het behoort tot de belangrijkste werken van de laatgotische schilderkunst in Westfalen. Getoond worden de belangrijkste gebeurtenissen van de heilsgeschiedenis: de menswording (verkondiging en geboorte) op de buitenkanten van de gesloten vleugels van het retabel en de verlossing (lijdensgeschiedenis, kruisiging, opstanding, hemelvaart, nederdaling van de Heilige Geest) op het centrale paneel en de binnenkanten van de vleugels. In het koor bleef een geheel bewaarde cyclus van grote fresco’s van de apostelen en profeten bewaard die werden geschilderd in 1512-1520. Bij de kerkwijding werden de muren van de kerk door de bisschop op 12 met apostelkruisen gemarkeerde plaatsen gezalfd, om duidelijk te maken dat de kerk uit “levende stenen” op het fundament van de apostel rust. De apostelen staan in geschilderde nissen onder baldakijnen en ieder draagt zijn attribuut en een lint met gotisch schrift waarop steeds één van de 12 geloofsartikelen staan. De deur naar de sacristie stamt nog uit de bouw van het koor (1509-1512). In het koor bevindt zich een sluitsteen met een Christushoofd. Uit de 16e eeuw stamt een muurschilderij van Karel de Grote.

In de muur naast het tabernakel bevinden zich drie passiereliëfs, die oorspronkelijk onderdeel vormden van wegschrijnen uit de buurt. Het middels toont Simon van Cyrene die Jezus helpt het kruis te dragen (16e eeuw). De twee andere reliëfs van Jezus die wordt gegeseld en Veronica die Jezus Christus het zweetdoek aanbiedt zijn werken van de beeldhouwer Bernd Meiering uit Rheine (1631-1703). Het beeld van de kerkpatroon Sint-Brixius dateert uit 1890. Schöppingen heeft als enige kerk in het bisdom Brixius als patroon. In zijn mantel draagt hij de gloeiende kolen. De sokkel met drie scènes uit het leven van Brixius werd in 1985 door Gertrud Büscher-Eilert uit Horstmar gemaakt. Aan een zuil op de rechterkant hangt een Madonna in een stralenkrans. Het stamt uit 1480-1490. In het linker zijschip hangt een groot gaffelkruis met de Gekruisigde uit 1450-1470. Het corpus heeft nog oorspronkelijke kleuren en het hoofd draagt een echte doornenkroon. Het beeld van Antonius van Padua in het linker zijschip is 18e-eeuws. De beide reliëfs aan de muur van het linkerzijschip van de evangelisten Mattheüs en Johannes waren oorspronkelijk onderdelen van de in 1926 gebouwde en in 1966 afgebroken kansel. Het reliëf van de Gregoriusmis is 15e-eeuws, een ander reliëf van de nederdaling van de Heilige Geest 16e-eeuws. Naast de ingang is een inschrift aangebracht van het voormalige knekelhuis op het kerkplein, dat tot 1810 een kerkhof was. Het inschrift luidt Godt hefft gesprocken uth sinen godttlichen Mundt: Wachet und bereidet iuhw (= u) tho aller Stundt (stonde). Wente (= want) der Doedt werth iuhw nicht senden einen breff (= brief), sunder (= maar) he werth komen sliken (= sluipend) als ein Deiff (= dief) 1575.

Eggerode
Het dorp is vermaard om de bedevaarstochten rondom de katholieke Maria Geboortekerk (Duits: Pfarrkirche Mariä Geburt). Eggerode is een Ortsteil van Schöppingen in het Kreis Borken (Noordrijn-Westfalen). De kerk wordt voor het eerst in 1313 als parochie in een oorkonde genoemd. In de genadekapel naast de kerk, gebouwd in 1850 naar het voorbeeld van de kapel van Kevelaer, bevindt zich een circa 800 jaar oud Mariabeeld, dat jaarlijks door tienduizenden gelovigen bezocht en vereerd wordt. De kapel verving oudere kapellen uit de middeleeuwen en de 17e eeuw (vakwerk), die tijdens de Dertigjarige Oorlog verwoest en in de jaren 1830 afgebroken werden. De westelijke toren met gotische trapgevels werd in de 12e eeuw gebouwd. Het oorspronkelijk barokke koor, waarvan het eerste travee tegenwoordig onderdeel is van het kerkschip, stamt uit het jaar 1739 en werd in het begin van de 20e eeuw gegotiseerd met spitsboogramen in plaats van rechthoekige ramen. Het kerkschip werd in 1957 geheel opnieuw opgetrokken en veranderde van een eenschepig tot een drieschepig gebouw. Het hoogaltaar in barokke knorpelstijl stamt uit circa 1680 en werd gebouwd door Johann Mauritz Gröninger. Het schilderij van de Maria-Tenhemelopneming werd in 1866 in het altaarstuk gezet. Een romaans doopvont uit de 13e eeuw met een looffries staat op twee fragmenten van gotische kandelaren.

Het schilderij van de opgestane Heer is een paneel uit de tweede helft van de 16e eeuw en wordt aan de schilder Giacomo Basamo toegeschreven. Het schilderij van Antonius van Padua dat in de toren hangt dateert uit de 18e eeuw. Na een renovatie in de jaren 1823-1824 werden een twaalfarmige kroonluchter en de schilderijen “De bewening van Christus” en de “Verkondiging aan Maria” aangeschaft. De houten beelden stammen uit de tweede helft van de 19e eeuw. De kruisweg van Ernst von Briel werd in 1957 aangebracht. Tot de kerkschat behoort een gotische torenciborie en een kazuifelkruis uit de 15e eeuw. Het huidige orgel stamt uit het jaar 1959. De zeshoekige genadekapel draagt het patrocinium van Maria en werd in de jaren 1843-1844 gebouwd. In 1951 werd de kapel met een kooraanbouw vergroot, terwijl in de jaren 1990 nog een kaarsenkapel werd toegevoegd. Het barokke altaar uit de 17e eeuw stamt vermoedelijk uit het cisterciënzer klooster Klein Burlo, dat tussen Eggerode en Darfeld lag en in 1804 werd eseculariseerd. De kroonluchter werd geschonken door de familie Schulze uit Eggenrode. Als teken van verzoening na de Tweede Wereldoorlog schonken Nederlandse christenen het beeld van de heilige Petrus Canisius.

Sinds 1300 pelgrimeren gelovigen vanuit Münsterland, het Ruhrgebied, het Eemsland en het aangrenzende Nederland naar Eggerode om het genadebeeld van “Onze-Lieve-Vrouw van het Hemelrijk” te vereren. Het 70 cm. hoge beeld presenteert Maria als een tronende koningin met Jezus op haar schoot en in haar rechterhand een scepter. Zowel Maria als Jezus dragen rijkversierde kronen. Het zilveren houdertje in het hoofd van Maria bevat een stukje stof van Maria’s gewaad en een vingerkootje. Op 18 oktober 1864 werden alle sieraden van het genadebeeld en votiefgeschenken gestolen. De huidige gouden kronen dateren uit het einde van de 19e eeuw. Vroeger stond het beeld op de linker kant van het hoogaltaar van de parochiekerk. In 1790 kreeg het een plaats op het hoogaltaar en vanaf 1844 kwam het genadebeeld naar de huidige plaats in de kapel. Het aantal pelgrims dat jaarlijks het beeld komen vereren varieert tussen de 60.000 en 80.000 gelovigen. Rechts naast de kerk een openluchtaltaar waar in de zomer zo nu en dan kerkdiensten worden gehouden. Daarachter het kunstwerk van 21 granieten blokken die de 21 steden en dorpen aan de Vecht voorstellen, waaronder Ommen. De stenen spuwen met een druk op de knop Vechtwater.

Vechtquelle Hoeve Bertmaring
Om het Vechtwater uit de grond te zien opborrelen moeten we naar Darfeld en dan de Oberdarfeld op. Hier, op een hoogte van 106 meter bevindt zich het beginpunt van het beekje de Rockeler Bach. De bewoners van de aangrenzende hoeve Bertmaring op nummer 35 hebben een bord met de tekst ’Vechtequellen’ in de tuin gezet om de bron niet te missen. Wie goed naar de bron kijkt ziet het water borrelen. Der Heimatverein Darfeld heeft in mei 1994 een steen geplaatst met daarop de tekst dat de naam Vecht terugvoert naar een Saksische prins Vechtan, die begin jaren 400 leefde en verdronk in dit water. Als deze legende waar is, moet de prins wel een bijzonder slechte zwemmer geweest zijn, want de Vecht is hier hooguit enkele meters breed.

Schloß Darfeld
De bouwers van de waterburcht in Darfeld gebruikten het uittredende kwelwater voor de vijvers en de slotgracht van het kasteel, die nu worden beschouwd als een van de Vechtbronnen. Kasteel Darfeld is een slot met Renaissance-arcaden en was oorspronkelijk als achtvleugelig gepland, maar slechts twee vleugels werden rond 1615 gerealiseerd. Het kasteel is sinds 1680 in bezit van één en dezelfde familie Graf Droste zu Visschering en is gesloten voor publiek. Het waterslot met een brede gracht is een voorbeeld van de overgang van de Renaissance naar Barok. In de 16e eeuw wilde een zekere Jobst van Vörden hier een Italiaans droomslot zien verrijzen. Maar voor dit gereed was kreeg hij ruzie met de bouwmeester Gerhard van Gröningen. Het resultaat, inclusief vele correcties en toevoegingen uit latere eeuwen, is een prachtig slot die tot de mooiste van Munsterland wordt gerekend. Aan Griekse zuilen geen gebrek en ook de barokstijl spreekt nog een woordje mee zoals blijkt uit het rijk gedecodeerde tuinhuis met de naam Antoinetteburg.

Schloß Steinfurt
Nabij de prachtige waterburcht is een grote parkeerplaats vanwaar je alle interessante doelen gemakkelijk te voet kunt bereiken. De geschiedenis van de gemeente Steinfurt waartoe de stadsdelen Borghorst en Burgsteinfurt behoren, omvat een periode van meer dan 1000 jaar. De oudste universiteitsstad van Westfalen speelt nog steeds een rol van betekenis als regionaal opleidingscentrum. Rond de Markt staan prachtige huizen waarvan van sommige de geschiedenis teruggaat tot in de 16e eeuw. Er zijn ook restanten van de oude stadsmuren. Aan de Markt bevinden zich onder meer het Rathaus uit 1561 en wat er resteert van de vroegste universiteit (vandaar dat de straat om de hoek ervan An der Hohen Schule genoemd is) uit 1593. De gotische, zogenoemde kleine kerk, ontstond in de 15e eeuw. De barokke parochiekerk St. Johannus Nepomuk werd pas in 1724 voltooid. Pronkstuk van de stad is uiteraard de waterburcht. Over de brede slotgracht heb je van de buitenzijde een prachtig beeld op de burcht waar je slechts groepsgewijs en op afspraak een kijkje binnen kunt nemen. De grote binnenplaats behoort tot de fraaiste van Münsterland.

Wetenswaardigheden over de Vecht
De Vecht slingert door een prachtig natuurlijk dal dat hij zelf geschapen heeft. In dit Vechtdal genieten inwoners en toeristen van deze mooie omgeving. Als kleinste van onze grote rivieren verbindt de Vecht de drie gemeenten Hardenberg, Ommen en Dalfsen. Dankzij de bevaarbaarheid van de rivier de Vecht en ook door haar strategische ligging kon Ommen lid geworden van het Hanzeverbond en mag zich Hanzestad noemen. De Vecht was indertijd een belangrijk vaarwater voor transport van bijvoorbeeld Bentheimer zandsteen uit het Duitse achterland. Zo is het paleis op de Dam in Amsterdam steen voor steen over de Vecht gevaren.

Vervoer over de Vecht met zompen
De kronkelde Vecht was niet vlot bevaarbaar; tussen 1670 en 1900 werd er gevaren met zompen, zoals ook op de rivier de Regge die iets voorbij Ommen uitmondt op de Vecht. Een gemiddelde zomp had een laadvermogen van 8 ton, was ongeveer 12 meter lang en ongeveer 2,5 meter breed. De platbodem met een diepgang van 40 centimeter was bij uitstek geschikt voor de smalle, bochtige en ondiepe riviertjes. De zomp had een grootzeil en een fok. Wanneer er niet kon worden gezeild werd de schuit geboomd. Als de oever het toeliet kon de boot ook worden gejaagd. Het formaat liet toe dat één man een beladen scheepje aan de lijn tegen de stroom op kon trekken. Het scheepje had een klein vooronder waar de schipper en zijn knecht konden koken en slapen. Een verblijf in een (schippers)herberg had echter de voorkeur. In de Hanzeperiode had Ommen geen echte haven. Wel was er een inham in de Vecht dat als haventje dienst deed: Borgraven. Zo genoemd omdat bij onstuimig weer de scheepjes daar tijdelijk “geborgen” konden worden. De Borggraven was tevens de thuishaven voor de Ommer Vechtbevaarders. De tegenwoordige straatnaam “Burggraven” herinnert nog aan de dagen van weleer. Rond 1800 waren er in Zwolle 25 zompschippers, in Dalfsen ook 25 en 7 in Ommen. Hardenberg telde 14 schippers en op het Duitse deel woonden 17 schippers. Bekende Ommer schippersgeslachten waren Oldeman, van der Vegt, van Elburg en Foekert. De Ommer schippers woonden veelal aan of in de directe omgeving van het haventje. Toen de Vecht in de twintigste eeuw werd gekanaliseerd kwam deze haven te vervallen. Overigens was toen de scheepvaart grotendeels al verdrongen door vervoer over weg en rails. De Vecht ontspringt in het golvende landschap van de Baumberge in het Duitse Münsterland. Kwelzones hier vormen de bronnen voor riviertjes die in alle windrichtingen afstromen. Het laaggebergte van kalkgesteente met veel ondergrondse spleten en gangen zorgt er voor dat regenwater makkelijk diep weg zakt in de onderliggende kalkgesteenten. De Berkel en de Dinkel ontspringen ook in dit gedeelte van Duitsland. Het opborrelend water is terug te vinden in bronnen zoals bij Kasteel Darfeld en Hoeve Bertmaring en onder een altaar in de kerk van Schöppingen.

De Vecht stroomt Nederland binnen bij Holtheme (Gramsbergen) aan de Holthemereschweg. Na Hardenberg, Ommen en Dalfsen mondt de rivier uit in het Zwarte Water bij Zwolle. De Vecht is een regenrivier met een lengte van 167 kilometer, waarvan 60 km in Nederland. Het stroomgebied van de Vecht beslaat 3780 vierkante kilometer. In Duitsland wordt de rivier Vechte genoemd. De eerste schriftelijke vermelding van de Vecht stamt uit omstreeks 1232 en staat in het geschrift Narracio. Een sage vertelt dat rond het jaar 400 prins Vechtan bij het oversteken van het stroompje verdronken zou zijn. Zijn naam leeft voort in de naam van de rivier. Belangrijke zijrivieren die zich bij de Vecht voegen zijn de Steinfurter Aa, de Dinkel en iets voorbij Ommen de Regge. Bij Gramsbergen stroomt een afwateringskanaal van het Coevorden-Vechtkanaal in de Vecht. Belangrijke plaatsen en gemeenten langs de Vecht zijn: Metelen, Wettringen, Schüttorf, Brandlecht, Nordhorn, Neuenhaus, Hoogstede, Emlichheim, Gramsbergen, Hardenberg, Ommen, Vilsteren/Oudleusen, Dalfsen en Zwolle. De Vecht heeft tot ver in de 19e eeuw, een belangrijke rol gespeeld in de scheepvaart. De rivier kende een onregelmatige diepgang, waardoor in de zomermaanden de waterstand wel eens extreem laag kon zijn. De rivier was eigenlijk alleen goed bevaarbaar in de waterrijke tijd, ongeveer van oktober tot april. In de zomermaanden viel de rivier bijna droog en lag de scheepvaart soms weken achtereen stil. Bovendien was de rivier erg bochtig. De vaartijd van Zwolle naar Nordhorn was ongeveer 6 dagen. Bij een te lage waterstand werden er door de schippers dammetjes in de rivier opgeworpen. Zodra er voldoende water was verzameld, stak men de dam door en kon men weer (een stuk) verder varen. Dit was overigens op alle rivieren in Oost-Nederland een gangbare praktijk: varen waar geen water is.

Over de Vecht werden behalve Bentheimer zandsteen ook agrarische producten uit de omgeving vervoerd. Bij de Duitse grens moesten hoge tolgelden worden betaald. Om deze te ontlopen werd er door de schippers veel gesmokkeld. Er zijn voorbeelden bekend zoals zijden spek tegen het boord spijkeren en schinken aan een touw onder water meetrekken. Werd een schipper hierop betrapt, dan werd lading en schip verbeurd verklaard. Tegen betaling kon hij dat dan terug kopen. Indien men het geld niet beschikbaar had, werd men door andere schippers geholpen. Om de vaartijd naar Zwolle te verkorten, werd rond 1600 de Nieuwe Vecht bij het Zwolse Berkum gegraven. Zwolle had namelijk het stapelrecht op alle goederen die over de Vecht werden vervoerd. Via de schutsluis Katerveer kon men de IJssel of de Zuiderzee opvaren of via Hasselt en het Zwolse Diep. In het midden van de 19e eeuw kwam het kanaal de Dedemsvaart en haar zijtak de Lutterhoofdwijk gereed. Zij vormden een kortere vaarweg tussen Coevorden en Zwolle en dat betekende dat het belang van de Vecht als vaarweg verminderde. In 1908 werd de Vecht gekanaliseerd en werden er vele bochten afgesneden. Door deze en andere waterwerken daalde het water in de rivier naar een laag niveau en moest men besluiten om stuwen te bouwen. Dat werden er zeven: De Haandrik, Ane (inmiddels afgebroken) Hardenberg, Diffelen (bij Mariënberg), Junne, Vilsteren (1913) en Vechterweerd (1914) bij buurtschap Marshoek, tussen Dalfsen en Zwolle. Scheepvaart was vanaf toen niet meer mogelijk. Alleen vanaf de monding bij Zwolle tot aan de stuw bij Junne bleef bevaarbaar. Daar komt verandering in. In Hardenberg is in 2015 een schutsluis aangelegd en er zijn momenteel ver gevorderde plannen om ook schutsluizen te bouwen bij Junne en Diffelen. Na realisatie is het mogelijk om met kleine recreatieve bootjes de Vecht op te varen tot aan Gramsbergen, waar de Vecht aansluit op het Overijsselsch Kanaal. In de afgelopen jaren zijn enkele oude Vechtarmen weer uitgegraven en aangesloten op de Vecht. De natuur krijgt daardoor nog meer kans. Dit alles ook in het kader van het project Ruimte voor de Vecht.

Korte routebeschrijving naar de Vechtbronnen:
In Gramsbergen spoor en brug over richting De Haandrik. Daar via Vilsterborg naar Laar. In Laar links aanhouden richting Emlichheim, langs de molen van Laar; rechts aanhouden via Vechtdalstraat kan ook. In Emlichheim richting Neuenhaus. Iets voor Neuenhaus op rotonde links aanhouden naar centrum van Neuenhaus. In centrum Neuenhaus naar Kirchstraat 11, naast de oude kerk bij restaurant Haus Bruningmann voor stop bij watermolenrad. Na Bruningmann rechtsaf door centrum en op de kruising winkelstraat linksaf richting Nordhorn. Enkele kilometers voor Nordhorn en voor het punt waar de Vecht de weg kruist Kloosterstraat in naar Klooster Frenswegen. Klooster met kloostercafé is meeste keren wel open en vrij te bezichtigen. Weg vervolgen richting Nordhorn. Het centrum van Nordhorn helemaal in rijden dus niet via ringwegen omgeleid. In centrum Nordhorn na de oude kerk en marktplein rechtsaf. Deze weg vervolgen langs de parkeerdek en de Vecht. Op een gegeven moment snelweg oprijden en deze vervolgen met onder andere afslag naar Dierentuin. Na meerdere kilometers op de snelweg afslag Bad Bentheim aanhouden. In centrum Bad Bentheim op grote kruising linksaf. Na enkele kilometers rechtsaf richting Ochtrup en Steinfurt, langs Bentheimer rotsplateaus. Na Schüttorf richting Ochtrup voor bezoek Haus Welbergen, gelegen tussen Ochtrup/Langenhorst en Steinfurt. Vervolgens naar Meteren en via Havebeck naar Schoppingen.

In Schoppingen auto parkeren naast de kerk. Rondom de kerk wandelen voor bron. Na Schöppingen naar Eggerode. In Eggenrode auto parkeren op P-plaats van hotel Winter. Van hieruit richting kerk wandelen en achter de kerk naar de stenen die de plaatsen aan de Vecht aangeven. Verderop komen twee stroompjes samen en gaan als Vechte verder. Terug naar P-plaats langs de Vechte. Vervolgens naar Darfeld/Rosendahl. In centrum Darfeld op splitsing Osterwickerstraat / Billerbeckestraat de Billerbeckstraat inrijden. Na een kleine kilometer iets buiten de kom van Darfeld over een oude spoorlijn – dat nu een fietspad is – gelijk linksaf slaan. Parallel aan dit fietspad iets verderop naar rechts Oberdarfeld, dan in een bocht weer iets rechts en vervolgens links aanhouden. Na enkele honderden meters bij een boerderij aan de Oberdarfeld is de Vechtequelle met een bordje en grote veldkei aangegeven. Deze weg vervolgen en komt weer uit bij de weg naast het fietspad en Billerbeckestraat. Kasteel Darfeld ligt aan de Osterwickerstraat tussen Darfeld en Rosendahl. Auto parkeren tegenover kasteel op parkeerplaats van sportveld. Het is dan nog wel een eind lopen voor dat je bij het kasteel bent. Na Darfeld richting Steinfurt om hier nog even langs het kasteel Burgsteinfurt te gaan. Terugreis vanaf Steinfurt via de 54 (Munster) naar Enschede, terug naar Ommen.

Bron: Harry Woertink – 7 juni 2017

3 Reacties »

• • •

3 reacties »