14 juli 2017

Naast bronzen zwaard van Ommerschans ook bronzen speerpunt

Categorie: Ommerschans, Willem Bemboom.    494 keer gelezen.

Naast het bronzen zwaard van Ommerschans is er ook een bronzen speerpunt bekend, die in het verleden gevonden is tussen Witharen en Ommerschans.

 Bronzen speerpunt uit de Midden Bronstijd (ca. 1000 voor Chr.) gevonden tussen Witharen en de Ommerschans.
Afb.: Provincie Overijssel

De speerpunt uit de Midden Bronstijd (ca. 1000 voor Chr.) is de enige in zijn soort in Noord-Nederland, weet archeoloog Bemboom te vertellen. De speerpunt is van het type Tréboul, een Bretons fabricaat. De speerpunt met een lengte van 22,5 cm heeft een fraaie, bruine veen-patina. Net als het zwaard van de Ommerschans zou het mogelijk een veenoffer of votiefoffer kunnen zijn.

Deze zeldzame speerpunt van brons is gelukkig in Nederland bewaard gebleven. Het bronzen artefact bevindt zich in een ladekast van het Enschedese museum de Twentse Welle. Omdat de speerpunt in het museum van Enschede voor een bezoeker niet direct zichtbaar is, zou het een mooie aanwinst voor het streekmuseum in Ommen kunnen zijn, naast het zwaard van Ommerschans. De grondstoffen koper en tin zijn in Nederland niet aanwezig. Bijna alle voorwerpen van brons zijn in Nederland geïmporteerd en meestal door ruilhandel verkregen. Brons verving gedurende de bronstijd geleidelijk vuursteen als belangrijkste materiaal voor gereedschap, wapens en sieraden. Vanaf 1900 voor Chr. werd brons langzaam algemener in de Lage Landen. Lees meer »

Reageren »

22 mei 2016

Thema-avond Streekmuseum 30 mei – De Ommerschans, van Verdedigingsschans tot Bedelaarskolonie

Categorie: Harry Woertink, Ommerschans, Willem Bemboom.    503 keer gelezen.

OMMEN – Het Streekmuseum in Ommen houdt op maandag 30 mei haar vierde thema-avond van dit seizoen. Thema dit keer is “De Ommerschans, van Verdedigingsgsschans tot Bedelaarskolonie”.

 Fundering van een gebouw uit de kolonietijd.
Foto: Willem Bemboom

Archeoloog Willem Bemboom vertelt over zijn onderzoek in de Ommerschans. Aanvang 20.00 uur.

De verdedigingsschans
In 1596 nemen de Groningers het besluit om de grenzen van het gewest Groningen beter te gaan beschermen. Coevorden, Bourtange en Bellingwolde worden gefortificeerd. De zuidgrens tussen Coevorden en Meppel blijft grotendeels onbeschermd, maar dat was gezien de natuurlijke gesteldheid van het terrein (een groot moerassig veengebied) te begrijpen. In 1625 lijdt het platteland van Overijssel sterk onder de plundertochten van de Spaanse troepen (80-jarige oorlog). De angst bestaat dat zij naar het noorden zullen oprukken en daarbij gebruik gaan maken van de zomerweg die door de venen van het Overijsselse Ommen naar het Drentse Zuidwolde loopt. Op kosten van Groningen en Friesland wordt daarom langs deze weg een schans gebouwd, waarmee men denkt het Noorden voldoende beschermd te hebben. De nieuwgebouwde schans beslaat een vierkant met aan de Ommense kant drie punten (bastions) en daarvoor een wal. Rond 1670 wordt de schans verder versterkt. Na de val van Deventer in juni 1672 (Münsterse oorlogen) trekt een groot gedeelte van de troepen van Bernard van Galen, de bisschop van Munster, naar Ommen en bezet vandaaruit de schans. Lang duurt de bezetting niet; aan het einde van het jaar wordt Van Galen gedwongen onze gewesten te verlaten. In de jaren daarna neemt de militaire betekenis van de schans af.

De bedelaarskolonie
In 1819 wordt het terrein in bruikleen gegeven aan de Maatschappij van Weldadigheid, die er de bedelaarskolonie Ommerschans (700-900 ha.) vestigt. Met subsidie van Koning Willem I worden de eerste kolonies gesticht op de woeste gronden in Zuidoost Friesland, Zuidwest Drenthe en het noorden van Overijssel. Daar ontstaan de kolonies Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord. Kenmerk van deze drie kolonies is dat men daar -weliswaar onder toezicht-, in betrekkelijke vrijheid zelfstandig kleinschalige landbouw kan uitoefenen. De kolonies krijgen echter ook te maken met lieden die niet willen of kunnen werken. Voor hen bedenkt men een veel strengere kolonievorm, namelijk een waarin men niet vrij is en onder dwangarbeid moet verrichten. Er wordt weleens anders beweerd, maar de Ommerschans is de eerste en in het begin de grootste dwangkolonie van de Maatschappij. Lees meer »

Reageren »

3 september 2014

De vier ijskelders in de gemeente Ommen

Categorie: Gebouwen, Landgoederen, Willem Bemboom.    3.942 keer gelezen.

De vier ijskelders in de gemeente Ommen zijn uniek en behoren tot de mooiste ijskelders van Nederland.

 De ijskelder van Vilsteren, gelegen nabij het Huis Vilsteren.
Foto: OudOmmen

In een periode van 250 jaar, globaal van het midden van de zeventiende eeuw tot 1914, werden in Nederland speciale kelders gebouwd voor het bewaren van ijs, maar hierover is weinig te vinden in de historische bronnen. De historische kennis over individuele ijskelders in Nederland is complex en heel divers. Per ijskelder is de kennis zeer variabel. Een overzicht van kennis en kennislacunes ontbreekt vooralsnog. Over de totstandkoming van de opdracht, de ontwerpers of uitvoerders is zelden iets bekend. Bouwtekeningen voor ijskelders zijn uiterst schaars; omdat overal verschillende bouw- en metseltechnieken voorkwamen, zijn deze gegevens niet opgetekend. In de zeventiende en achttiende eeuw waren bouwers bekwaam genoeg om een eenvoudig gewelf te metselen zonder tekening, een vaardigheid die in de negentiende eeuw als vanzelfsprekend werd beschouwd.

Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw doet de koelkast in Nederland zijn intrede en tegenwoordig heeft iedereen er een. Fabrieken en ambachtelijke bedrijven konden al vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw op grote schaal gebruik maken van koelmachines door de introductie van elektriciteit. Vóór die tijd was natuurijs de aangewezen manier om producten koel te bewaren. Men verzamelde daarvoor in de winter zoveel mogelijk natuurijs uit grachten, vijvers en andere watergangen. Het ijs bewaarde men in speciale ondergrondse bewaarplaatsen, zogenaamde ijskelders. Het meest voor de hand liggende gebruik van ijskelders was voor het welzijn en de gezondheid van de mens. IJs werd gebruikt door medici voor o.a. inwendige ontstekingen. Bezitters van ijskelders waren min of meer sociaal verplicht om op doktersvoorschrift gratis ijs af te staan. Door de tijd heen zijn er verschillende soorten ijskelders gebouwd. In ons land zijn ijskelders vanaf de zeventiende eeuw in gebruik gekomen op de buitenplaatsen. De eerste ijskelders waren eenvoudig van aard; later ontstonden meer geavanceerde typen. IJskelders werden ook heel verschillend gebouwd, omdat de eigenaar de vorm en het volume zelf bepaalde. Lees meer »

4 Reacties »

25 maart 2014

Industrieel Erfgoed, de kalkovens in Dedemsvaart

Categorie: Gebouwen, Willem Bemboom.    1.443 keer gelezen.

In de omgeving van Dedemsvaart werd vroeger veel turf gewonnen. De turf werd naar het westen van het land verscheept, via de Dedemsvaart naar Hasselt en over de Zuiderzee naar Enkhuizen en verder.

 Een schelpkalkoven is een oven in een kegelvormige toren, met een hoogte variërend van 15 tot 20 meter en een doorsnede aan de basis van meestal 5 tot 7 meter. Schelpkalkovens werden gebruikt voor de fabricage van metselkalk uit strandschelpen. Schelpkalkovens zijn doorgaans te vinden aan het water en staan vaak in groepjes. Tegenwoordig fungeert de kalkoven in Dedemsvaart als streekmuseum.
Foto: Bert van Os.

De turf werd in het westen afgeleverd bij een schelpkalkbranderij. Vervolgens werden aldaar schelpen gekocht (gewonnen) die dan weer als retourlading naar Dedemsvaart en Hasselt werden verscheept, zodat ook daar schelpkalk gebrand kon worden. De kalkovens in Dedemsvaart zijn een mooi voorbeeld van gerestaureerd Industrieel erfgoed.

Industrieel erfgoed in Nederland
De term “Industrieel Erfgoed” is vrij jong en werd vroeger “Industriële Archeologie” genoemd. Industriële archeologie is het registreren, in bepaalde gevallen behouden en het interpreteren van terreinen en structuren van voegindustriële activiteiten, vooral de monumenten van de industriële revolutie. In Nederland is deze term ook gebruikt, maar daarnaast kwam ook de term “monumenten van bedrijf en techniek” in zwang. Hierbij lag het zwaartepunt op het onroerend goed. Tegenwoordig is de gebruikelijke term: Industrieel Erfgoed”, waarmee zowel het onroerend (gebouwen) als het roerend erfgoed (machines e.d.) wordt aangeduid. In vergelijking tot de ons omringende landen is Nederland vrij laat gaan industrialiseren.

Normen en criteria
Een van de meest knellende vragen is op grond van welke normen en criteria een gefundeerde beslissing over het behoud van een monument in de zin van industrieel erfgoed kan worden genomen. Los van de officiële formulering van het begrip monument zal in het denken over monumenten de traditionele koppeling aan iets dat mooi is, iets dat schoonheid uitstraalt, gerelativeerd moeten worden. De oorspronkelijke notie van het begrip monument, n.l. “gedenkteken” verschaft hiertoe de aanknopingspunten: voor een object, waaraan een waarde als gedenkteken wordt toegekend, is het minder relevant of het mooi is: een gedenkteken aan een donkere bladzijde uit de geschiedenis (sociaal-economisch, architectonisch) kan zelfs naar gangbare opvattingen uiterst lelijk worden bevonden zonder iets aan de waarde als monument te verliezen. Lees meer »

Reageren »

22 maart 2014

Kasteel Rechteren en de zorg voor monumenten

Categorie: Kastelen & Havezates, Willem Bemboom.    1.817 keer gelezen.

Bepalend voor de monumentenzorg in Nederland was Victor de Stuers die gezien wordt als de oprichter van de monumentenzorg in Nederland. Door de architecten Alberdingk Thijm en Cuypers is een aanzet gegeven tot een eigentijdse architectuur voor historische bouwwerken.

 Het huis Rechteren aan de Vecht bij Dalfsen omstreeks 1755, De dominante verdedigingstoren stamt uit de13 e of 14 e eeuw. De middenpartij is 17e eeuw. De heren van Rechteren waren erfmarkerechters in de marke Dalmsholte, dienden als officieren in de Tachtigjarige Oorlog, vochten in de latere stadhouderlijke legers en waren afgevaardigden van Overijssel in de Staten-Generaal. Het thans nog fraaie, goed bewaarde kasteel staat aan de weg Ommen-Vilsteren (Jansma et al. 1990).
Afb.: Willem Bemboom

Nederland is hiermee in tegenstelling met het buitenland vrij laat begonnen. De Stuers heeft op het gebied van de monumentenzorg, museumbeheer en archiefbeheer de basis gelegd voor het bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in Nederland. Victor de Stuers en Cuypers waren de vertegenwoordigers van het 19e eeuwse historisme.

Monumentenzorg is al ruim een eeuw onderwerp van overheidsbemoeienis. Ondanks de toegenomen interesse onder brede lagen van de bevolking, is monumentenzorg maatschappelijk een randverschijnsel gebleven, als bijvoorbeeld wordt afgegaan op de relatief geringe bedragen die de overheid beschikbaar stelt. Hiervoor zijn vele verklaringen te geven. Een van de oorzaken is, dat monumentenzorg te lang gericht is op materiële restanten van de maatschappelijke bovenbouw: de grote monumenten van geschiedenis en kunst, de kerken en de kastelen, raadhuizen, gegoede woonhuizen. Lange tijd vormden molens en wat later op beperkte schaal de boerderijen bijna de enige categorieën monumenten van de werkende mens. Hierdoor is een onvolledige en vertekende beeldvorming over het verleden ontstaan. Het overgrote deel van de bevolking, dat de maatschappelijke onderbouw vormt, heeft zich weinig met de doeleinden van monumentenzorg kunnen identificeren, omdat objecten van monumenten voor hen geen levend onderdeel van het dagelijks leven vormen of gevormd hebben. In Nederland is in de laatste decennia sprake van een toenemende interesse voor al die fysieke objecten, die op uiteenlopende wijze een monument vormen van leefwijzen, productiestelsels, opslag -, transport – en distributiewijzen uit het verre of nabije verleden. In het buitenland is de interesse voor deze monumenten al zover ontwikkeld, dat voor de aanduiding van dit terrein al lange tijd de term ‘industriële archeologie” wordt gebruikt, een term die ook in Nederland de laatste jaren opgang doet (Nijhof 1978). Lees meer »

Reageren »

19 maart 2014

Sporen van vroege bewoning in Ommen – Tumuliveld met brandheuvels in Hoogengraven (vroege bronstijd ca. 2000 – 1800 voor Chr.)

Categorie: Archeologie, Willem Bemboom.    2.188 keer gelezen.

Op diverse plaatsen in Ommen zijn sporen van vroege bewoning gevonden. De aanwezigheid van prehistorische bewoners is in Stegeren nog in het landschap zichtbaar in de vorm van tientallen grafheuvels.

 Op de voorgrond het Tumuliveld “Calsum” in Hoogegraven.
Foto: Willem Bemboom

Deze grafheuvels dateren uit de late steentijd tot en met de ijzertijd. Ook zijn hier enkele grafcomplexen uit de Romeinse tijd gevonden. Het grootste terrein met minimaal 36 heuvels uit de ijzertijd staat in de volksmond bekend als Calsum, wat “dodenheem” betekent. Opmerkelijk genoeg zijn de oudste grafheuvels het grootst. Aanvankelijk werden de doden onder deze heuvels begraven (inhumaties). Later werden ze gecremeerd en in urnen bijgezet in grafvelden met veel kleinere heuveltjes en greppeltjes rondom, de zogenaamde urnenvelden. Het beeld is een beetje vertekend door plaggendekken. De grafheuvelgroep (tumuliveld) ligt op een van de vele zandlopervormige dekzandruggen langs het dal ven de Overijsselse Vecht (Stegerenseveld/Junner Koeland).

De heuvels behoren voor het grootste gedeelte tot de zgn. brandheuvels, welke dateren uit de late bronstijd. Zij bezitten geen kringgreppel; mobiele vondsten (artefacten) zijn praktisch niet aangetroffen. Het grafveld bestaat overwegend uit lage grafheuvels opgebouwd uit plaggen, die brandstapel- en crematieresten overdekken. In Duitsland komen ze ook voor de zgn. Scheiterhaufenhügel (brandstapelresten, in de vorm van grote hoeveelheden houtskool op het oude maaiveld). Hiertussen bevinden zich crematieresten. De grafheuvels vallen onder de Niederreinische Grabhügelkultur (late bronstijd/vroege ijzertijd).

De eerste grafheuvel in het Stegerenseveld is in 1929 opgegraven door F.C. Bursch van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden (de eerste opgraving in Salland). Een jaar later onderzocht Prof. Dr. Van Giffen van het Biologisch-Archeologisch Instituut (BAI) te Groningen op nog geen kilometer afstand van de onderzoekslocatie van Bursch de grote grafheuvelgroep in het Stegerenseveld/ Junner Koeland. De gegevens van zijn opgraving zijn niet gepubliceerd. De plek wordt Hoogengraven – Calsum genoemd. Van Giffen had een contactpersoon in Ommen en dat was W. Veldsink, hoofd van de Christelijke landbouwschool. Veldsink was naast leraar een verwoed amateurarcheoloog. Lees meer »

2 Reacties »

24 februari 2014

Herontdekking kiekebelt Ommerschans

Categorie: Ommerschans, Willem Bemboom.    1.288 keer gelezen.

In 1850 was Overijssel nog een tamelijk geïsoleerde provincie achter de IJssel. Zo was er slechts één vaste oeververbinding, de brug bij Kampen.

 In de Ommerschans, ten zuiden van de noordelijke schansgracht en ten oosten van de weg, zijn de contouren nog zichtbaar van een kiekebelt.
Afb.: Willem Bemboom

Deze oeververbinding lag buiten de voornaamste verkeersstromen over land. De steden Zwolle en Deventer moesten het met veren en schipbruggen stellen. Opvallend bij bestudering van oude kaarten van Salland is het enorme aantal “Heeren huysen”. De daarop wonende landadel heeft haar invloed langer behouden dan in andere delen van Nederland. In Salland onderscheidt men twee categorieën landhuizen: de op feodale traditie berustende kastelen (in Overijssel ook havezaten¹) geheten) en de patricische landhuizen²). De kaart uit 1675 over “Transiselania” (Overijssel) van Marco Vincenzio Cornelli geeft een uitgebreid en nauwkeurig beeld van de omvang en de ligging van de adellijke landhuizen. Deze landhuizen hebben sinds de twaalfde eeuw hun stempel gedrukt op het Sallandse landschap.

De macht van de adel berustte economisch op het grootgrond bezit en kon toenemen, doordat de boeren ten gevolge van oorlog en plundering hun bezit afstonden aan een machtige heer in ruil voor bescherming. Het gros van de adel in Salland wist zich op deze wijze te handhaven tot aan de Franse revolutie. Er waren rijke en minder rijke edelen. De rijke adel gaf in de regel enige fleur aan het eentonige leven binnen de marken en buurtschappen. Onder hen bevonden zich heren, zoals die van Eerde en Rechteren, die in hun gebied met hun talrijke erven leefden als kleine vorsten. Er waren echter ook kleine potentaten, waarvan het bezit zich beperkte tot slechts enkele bunders grond.

Opvalland is de grote concentratie van adellijke landhuizen in Salland, in het stroomgebied van de IJssel, Vecht en Regge. Hier was namelijk de meeste grond in cultuur gebracht. Het bezit van een havezate hield ook in dat de eigenaar aan de Overijsselse landdag deel mocht nemen. Deze riddermatigheden, ook wel dienstadel genaamd, staan vermeld in de Sallandse schattingsregisters van de dertiende en veertiende eeuw. Lees meer »

Reageren »

25 december 2012

Was mottekasteel Het Laer de voorloper van Huize het Laar?

Categorie: Archeologie, Willem Bemboom.    1.896 keer gelezen.

Was de voorloper van Huize het Laar een ronde ringburcht uit de 12e eeuw, hoog gelegen op een motteheuvel met een fraaie lagergelegen voorburcht?

 Foto: Archeologische Monumentenwacht Nederland
Een mooi voorbeeld van een motteburcht. Een ronde ringburcht, gebouwd in de 12e eeuw. De ringburcht is hoog gelegen op een motteheuvel met een fraaie lagergelegen voorburcht.

Kasteelbergen, ook wel mottes genoemd, zijn regelmatig gevormde, min of meer ronde heuvels. Meestal zijn ze volledig met de hand opgeworpen. Ze hadden oorspronkelijk een steil talud en een vlakke bovenkant. De diameter en hoogte van kasteelbergen variëren nogal. Rond de motte lag meestal een gracht. Daaruit was de grond voor de heuvel gewonnen. Soms is deze omgrachting nog duidelijk aanwezig en waar men de gracht gedempt heeft, is vaak nog een laagte waarneembaar. Op de vlakke heuveltop stond een houten of stenen versterking, dikwijls een toren. Bij de motte hoorde vaak een lager gelegen voorburcht. Deze is meestal geëgaliseerd. Soms geeft het bestaande slotenpatroon nog een aanwijzing over de plek waar de verdwenen voorburcht heeft gestaan. Mottekastelen hadden uitsluitend een defensieve functie. Ze dienden niet als woon- of verblijfplaats. Als er vijandelijke troepen in de buurt waren, trok men zich op de verhoging terug. Vandaar was de vijand gemakkelijker te bestrijden. Mottekastelen waren van de elfde tot in de dertiende eeuw bijzonder populair in grote delen van Europa. Het ontstaan van de mottekastelen hangt samen met de ontwikkeling van feodale vorstendommen en de opkomst van vooraanstaande lieden, die streden om territorium en macht. In Nederland is vooral het kustgebied rijk geweest aan kleinere mottekastelen, maar ook in het Brabantse rivierengebied kwamen ze voor. In deze gebieden ontbrak in de twaalfde tot veertiende eeuw een sterk centraal gezag. Daardoor konden lokale krijgsheren eigen machtsgebieden creëren. Het mottekasteel diende hierbij ook als statussymbool. De meeste kleinere mottekastelen zijn inmiddels verdwenen. In veel gevallen is alleen (een restant van) de heuvel over. Enkele grotere mottekastelen, zoals de Burcht van Leiden of de motte van Kessel langs de Maas, zijn nog gedeeltelijk intact.

Waarom houden we kasteelbergen in stand?
Kasteelbergen geven een historische dimensie aan het landschap. Ze maken het verleden zichtbaar en tastbaar. In combinatie met goede voorlichting kunnen deze cultuurhistorische objecten rekenen op veel maatschappelijke waardering. Het beheer van kasteelbergen is in de eerste plaats gericht op een duurzaam behoud van de wetenschappelijke informatie en de archeologische waarde. Vorm en uiterlijke kenmerken worden zo veel mogelijk behouden. De belevingswaarde van het landschap wordt hiermee vergroot, vooral als een kasteelberg wordt ontsloten voor het publiek.

Wat houdt het beheer in?
Bij het beheer van kasteelbergen gaat het er in de eerste plaats om dat (verdere) aantasting van het mottelichaam wordt voorkomen. Kleine beschadigingen, door bijvoorbeeld houtopslag, molshopen en konijnenholen, worden zo veel mogelijk voorkomen en hersteld. Bij restauratie en inrichting worden ook grotere beschadigingen hersteld. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de motte zelf. Ook de – meestal gedempte – omgrachting en het terrein waar de voorburcht lag, kunnen bij het herstelwerk worden betrokken. Dit werk vindt altijd plaats onder toezicht van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort. Lees meer »

2 Reacties »

9 november 2010

De Ommerschans geeft bodemschatten bloot

Categorie: Ommerschans, Willem Bemboom.    5.178 keer gelezen.

BALKBRUG – De Ommerschans is in velerlei opzichten een bijzondere locatie. Niet alleen heeft het vanaf 1620 gediend als verdedigingswerk, maar heeft het ook een geschiedenis als landbouwkolonie voor landlopers en bedelaars.

Afb. 10 onbekend

Afb. 10 onbekend

 

Als verdedingsschans moest het de toegangswegen van en naar het noorden van ons land beschermen. Naast de schans liep een zandweg, nu bekend als de Schansweg, die de verbinding verzorgde tussen Balkbrug en Ommen. Het veelbewogen stuk grond is in opdracht van Staatsbosbeheer verschraald, maar voordat deze aanpak in werking gesteld werd, werd de grond minutieus onderzocht met detectieapparatuur. ‘Niet voor niets’, vertelt Willem Bemboom van de stichting De Ommerschans. ‘We hebben heel wat bijzondere vondsten gevonden uit verschillende tijden. De meeste gevonden voorwerpen zijn dermate aangetast dat ze eerst goed moeten worden behandeld, schoongemaakt en vervolgens nader worden onderzocht en beschreven.’

Er zijn onder andere munten gevonden, maar ook een duivenring uit een latere periode en ijzeren voorwerpen die een beeld geven van de geschiedenis van De Ommerschans. ‘Het archeologisch onderzoek van de vondsten gebeurt momenteel in De Veldschuur in Staphorst’, vervolgt Bemboom zijn verhaal. ‘Dit onder deskundige leiding van een archeoloog.’ Volgens Bemboom zijn de vondsten in goede handen van de Archeologische Werkgemeenschap te Staphorst. Hij kan het weten want Willem Bemboom is zelf archeoloog-veldtechnicus en als zodanig ook als adviseur betrokken bij de stichting. ‘Alle vondsten die gedaan worden en waarvan de verwachting is dat deze ouder zijn dan 50 jaar moeten bij de burgemeester (in dit geval van de gemeente Ommen) gemeld worden of bij de provinciaal archeoloog.

‘Een particuliere vinder mag de vondsten in de regel houden, maar de voorwerpen die gevonden zijn onder archeologische begeleiding gaan na onderzoek naar de provincie. ‘Als stichting moeten we dan weer met de provincie om de tafel gaan zitten om een overeenkomst te sluiten voor (permanente) bruikleen van de vondsten. Het zou natuurlijk prachtig zijn’, denkt Willem Bemboom hardop, ‘dat we in de toekomst een eigen ruimte krijgen waar al deze vondsten tentoongesteld kunnen worden. Maar zolang nog niet alle plannen in de Ommerschans gerealiseerd zijn, zou een plaats in het Streekmuseum van Ommen een prima alternatief zijn. De vondsten zijn heel bijzonder en het aantal is boven iedere verwachting.’
Lees meer »

3 Reacties »

1 april 2010

Als een Phoenix uit de as herrezen, icoon in de Bouwstraat authentiek hersteld

Categorie: Gebouwen, Willem Bemboom.    3.545 keer gelezen.

De kern van het oude Ommen lag vroeger langs de Brugstraat en rondom de kerk. In de nabijheid van de kom lagen nog betrekkelijk veel onbebouwde terreinen, waar ruimte was voor boerenbedrijfjes van niet al te grote omvang.

 Foto: Dia Ruiter
Fig. 1. Bouwstraat 6-7 Ommen “gemeentelijk monument” april 2010

Zo ontstonden in de 18e eeuw langs de Bouwstraat (de naam zegt het al) bouw- of boerenbedrijven. Enkele hiervan waren begin 20e eeuw nog in gebruik als boerenbedrijf. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zijn veel oude panden in de kern van Ommen gesloopt en hebben plaats gemaakt voor woon- en winkelpanden. Oorspronkelijk was het pand in de Bouwstraat een stadsboerderij, daarna koetshuis en weer later een winkel.

Het pand is sinds de tachtiger jaren van de vorige eeuw een gemeentelijk (gevel) monument. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Dit gebeurt vaak als een pand van plaatselijk of regionaal belang is. In tegenstelling tot een Rijksmonument is er voor een gemeentelijk monument nauwelijks of geen subsidie beschikbaar. Ook mag een gemeentelijk monument in vervallen staat niet worden afgebroken omdat het een beschermde status heeft. De eigenaar van het pand moet alle restauratiekosten zelf betalen. In het economische verkeer heeft een gemeentelijk monument daarom maar een geringe waarde.

Van 1700 tot 1900 woonden in de Bouwstraat op nummer 6 en 7 voornamelijk landbouwers en ambachtslieden. In 1904 brandde de oude stadsboerderij gedeeltelijk af. Het restant werd gesloopt en herbouw vond plaats door Hendrik Jan Gerrits, hotelhouder van Het Zwarte Paard. In de voorgevel van het pand werd een grote deur geplaatst voor het stallen van koetsen ten behoeve van de gasten van hotel Het Zwarte Paard. Na de 2e wereldoorlog kwam het koetshuis in het bezit van de familie Bemboom. In het pand werd een winkel gevestigd i n huishoudelijke artikelen en speelgoed. Het pand heeft 35 jaar lang deze winkelfunctie gehad. De familie Bemboom heeft nooit overwogen het pand te verkopen. Een van de familieleden heeft in 2009 het initiatief genomen om het pand te laten restaureren. Lees meer »

2 Reacties »

Pagina 1 van 212