микрозаймы

14 september 2020

Arriërveld historische streek vol natuur

Categorie: Harry Woertink.    323 keer gelezen.

Het gebied tussen de Hessenweg Oost en de Zuidelijke Dwarsweg is een historische streek vol natuur. Het is een onderdeel van het gebied dat wordt aangeduid als Arriërveld.

Natuurbegraafplaats: begraven in de natuur.
Foto: Harry Woertink
Zie voor meer foto’s het album “Arriërveld”.

Duizenden jaren geleden werden hier in de omgeving al doden en urnen begraven. Een traditie die sinds eind vorig jaar wordt voortgezet op de natuurbegraafplaats langs de Hessenweg Oost. In hetzelfde natuurgebied is ook een golfbaan gesitueerd. De enclave met golfbaan en natuurbegraafplaats bleef verstoken van schop en scheurploeg en kreeg de natuur de overhand. De oude Hessenweg was ooit een eeuwenoude handelsroute.

Schapen
In het Arriërveld is lange tijd sprake geweest van heide, stuifzand, veen en moeras. De boeren uit Arriën hielden op de heide hun schapen. Vanuit de oude buurtschap gingen de schapen met hun schaapherder via het Veurveld en Arriërflier door het Ommerbos naar de heide in het Arriërveld. Er werd turf- en plaggen gestoken. Op afgebrande heideperceeltjes werd boekweit verbouwd. De plaggen werden naar de akkers aangevoerd om met schapenmest de vruchtbaarheid van de akkers te verhogen.

Ommerkanaal
Het Arriërveld strekte zich uit tot aan het huidige Dedemsvaart met als grens aan de oostkant de waterloop Galgengraven en de Grensweg en aan de oostkant de waterloop Hoogengraven. Door de aanleg van het Ommerkanaal in 1865 werd het Arriërveld in tweeën gesplitst. Over het kanaal kwam een brug met als eerste brugwachter A. Meier, zodat de brug de “Ameiers brug” werd genoemd. In 1917 werd er langs het Ommerkanaal (in het Arriërveld) bij de brug een openbare school gebouwd met de naam “Arriërveld” (sinds 1994 buurthuis).

Ontginning
Begin vorige eeuw ontplooide de landbouw zich in het Arriërveld, waaraan ook de Nederlandse Heide Maatschappij krachtig meedeed met het ontginnen van woeste grond. Rond die tijd werden ook de eerste boerderijen gebouwd. Toen men ook de beschikking kreeg over kunstmest ontstonden vruchtbare akkers en weidegronden.

Marke Arriën
Het Arriërveld was oorspronkelijk gemeenschappelijk eigendom van de boeren van de Marke Arriën. Op de hogere zandruggen langs de rivier Vecht ontstonden buurschappen met een sterk gemeenschapsgevoel. Al vanaf 1381 is sprake van de buurschap ‘Eryen’, dat later ‘Arriën’ wordt. Een buurschap wordt gezien als de oudste lokale organisatievorm. Vaak is in buurschappen sprake van noaberschap, waar men elkaar bijstand bood bij geboorte, huwelijk, ziekte of dood, maar ook praktisch te hulp schoot bij de oogst of schade. Eeuwenlang waren er ongeschreven wetten, maar naarmate de bevolking toename ontstond een organisatie, de marke. De marke regelde het gebruik van de gemeenschappelijke gronden. Zij hadden hun eigen rechtspraak met een markerecht. Daarin werd het gebruik van de woeste gronden geregeld, zoals het hakken van hout, de voor- en naweide, het weiden van varkens op eikels in het bos, de veedrift en het schutten van vee. Een keer per jaar werd een markevergadering of holtsprake gehouden onder voorzitterschap van de Markerichter. In Arriën was dat op de Brink, de eerste werkdag na de Ommer Bissingh. De Markerichter van Arriën – met 16 boerenerven – was tot 1817 de eigenaar en later de erfgenamen van erve Ridderinckhoff. Ook blijkt Arriën in 1839 met toen 180 bewoners, nog een school gehad te hebben. In 1853 kwam een einde aan de Marke Arriën toen de verkoop en verdeling onder de gebruikers was voltooid. Het natuurgebied van het Arriërveld kwam in handen van boseigenaren die zich toelegden op de verkoop van hout.

Hoogengraven
Als buurtschap wordt ‘Hoogengraven’ genoemd vanaf 1930. Het maakt vanaf dan samen met Arriën, Arriërveld, De Driehoek, Ommerkanaal en Stegeren deel uit van de buurtschappen ten noordoosten van Ommen. De naam Hoogengraven is ontleend aan de gelijknamige waterloop die uitmondt in een meander van de Vecht ter hoogte van de Hoogengravenbrug en het tolhuis. De waterloop Hoogengraven is in de loop van de tijd gekanaliseerd en ontstaan vanaf de turfafgravingen van de verveenderijen onder Dedemsvaart en vormde de grens tussen de marken Arriën en Stegeren. Behalve als buurtschap is ook de ´Golf en Country Club Hooge Graven’ vernoemd naar deze waterloop. In 1993 kon de club een negenhools golfbaan in gebruik nemen. De golfbaan – omsloten door de Zuidelijke Dwarsweg, de Middenweg, de Hessenweg (Oost) en de Arriërveldsweg – kon in 2002 verdubbeld worden met nog eens 9 holes tot een volwaardige 18-holesbaan..

Eerste bewoning
De hoge dekzandruggen langs de Vecht waren vanaf 9.000 voor Christus een geliefde verblijfplaats van rondtrekkende jagers. Ze leefden van de jacht, visvangst en verzamelden vruchten en noten. De buurtschappen Stegeren en Arriën liggen aan de middenloop van de rivier de Vecht. Vanaf 5.000 v. Chr. vestigden zich de eerste bewoners in deze streken. Ze legden bescheiden akkertjes aan en hielden er vee. Evenals hun jagende voorouders maakten ze gebruik van stenen en houten gebruiksvoorwerpen.

Grafheuvels
De aanwezigheid van prehistorische bewoners in Stegeren is in het landschap nog zichtbaar in de vorm van tientallen grafheuvels waar lichamen zijn begraven. In een latere periode werden er urnen begraven. Deze grafheuvels zijn gelegen in een grote rivierbocht op het zuidwestelijke deel van een zandlopervormige dekzandrug direct ten noorden van de rivier de Vecht. Ten westen van de grafheuvels bevindt zich een markante oude riviermeander, in een natuurgebied dat het Junner Koeland genoemd wordt. De grafheuvelgroep ook wel tumuliveld geheten dateert van de laatste steentijd tot en met de ijzertijd. Mooie jeneverbesstruiken sieren de dodenakker.

Calsum
Het terrein met zo’n 36 heuvels uit de ijzertijd staat in de volksmond bekend als Calsum, wat “dodenheem” betekent. Aanvankelijk werden de doden onder deze heuvels begraven. Later werden ze gecremeerd en in urnen bijgezet in grafvelden met veel kleinere heuveltjes en greppels rondom, de zogenaamde urnenvelden.

Hessenweg
Om handelswaar in een z’n korte mogelijke tijd te kunnen vervoeren werd vroeger gebruik gemaakt van zogeheten hessenrijders. Deze volgden als route Hessenwegen met vol geladen wagens getrokken door paarden met als eindbestemming Zwolle of via de Achterhoek over de Veluwe naar Amersfoort, Utrecht of Amsterdam. Vanuit het Duitse Hessen voer ook een Hessenweg langs Ommen. Met een kunstproject is deze zandweg zichtbaar en leefbaar gemaakt. De Hessenweg Oost, tussen de Haarsweg en de Driehoeksweg, in Ommen is gemarkeerd met ‘kunst’wielen. De cultuur-historische verbinding met de Hessenweg en het kunstproject zijn zes ijzeren gietstukken die verwijzen naar onderdelen van de historische Hessenwagen, zoals wielen en as. De uitleg van maker Guido Geelen: “De ijzeren gietstukken van wiel, as of achterkant liggen op betonnen platen, links en rechts in de berm van de ooit drukke internationale verkeersader als archeologische restanten zoals we nu het rubber van een vrachtwagenband of plastic autowieldop in de berm langs de snelweg aantreffen”.

Sterke kerels
De Hessenweg is een eeuwenoude handelsroute, die zijn naam heeft te danken aan de kooplieden uit de Duitse graafschap Hessen. Ze stonden bekend als hardwerkende betrouwbare voerlui. Zij vervoerden met enorme wagens waardevolle goederen door heel Europa. Het moeten sterke kerels zijn geweest. De Hessenmannen moesten de wagens laden en lossen, de grote krachtige paarden in het gareel houden en de wagens uit modder of rul zand kunnen duwen. Hessenwegen behoren tot de oudste wegen in Oost-Nederland en waren van groot belang. De voermannen reden in een bijna rechte lijn vanaf Duitsland langs Hardenberg, Ommen en Dalfsen naar Zwolle en verder. Alle Hessenwegen liepen op ruime afstand langs de dorpen en steden. Een belangrijke reden hiervoor was dat de Hessenwagens een veel bredere spoorbreedte hadden dan de gangbare wagens en karren in Nederland. De afwijkende wagens zouden het karrenspoor van de gewone zandwegen stuk rijden. In 1691 had Overijssel de breedte van het Hollandse wagenspoor overgenomen. De Hessenwagens mochten voortaan alleen nog over de route ten noorden van de Vecht rijden. Naast handelswaar vervoerden de wagens duizenden Duitse seizoenarbeiders die in de zomer in Nederland hielpen maaien, de zogeheten hannekemaaiers. Na de vrede van Munster (1648) en het einde van de 30-jarige oorlog in Duitsland kwam het verkeer met hessenkarren en -wagens pas goed op gang. Vervoerders, niet alleen uit Hessen, brachten hiermee hun goederen (linnen, garens, aardewerk) vanuit Duitsland naar Zwolle. Van daar werd de handel verscheept naar voornamelijk Amsterdam en retourvracht (rijst, tabak, specerijen) ging vanuit de haven mee terug. De route in dit gedeelte van Nederland liep vanaf Duitsland richting Hardenberg om bij Venebrugge de grens over te gaan richting Heemse. Dan langs Ommen en Oudleusen richting Zwolle. Op verschillende plaatsen langs de Hessenweg vestigden zich boeren die naast hun boerenbedrijf een herberg of uitspanning begonnen. De voerlieden trokken in feite van herberg naar herberg. Op die plaatsen konden de wagens gerepareerd en de paarden verzorgd worden. Bovendien konden de voerlieden er hun honger stillen en dorst lessen.

Herbergen
De Hessenweg bij Ommen liep grotendeels over verlaten heidevelden. Gevaarlijk door struikrovers daarom werd in konvooien gereisd. Vrijwel de enige bebouwing langs de weg bestond uit herbergen met gelagkamers om te kunnen eten. Op Ommer grondgebied was De Hongerige Wolf de eerste herberg op de route. Eén van de oudste was herberg De Rooseboomshaar, die op stadsgronden in de Marke Arriën was gelegen. Het was niet uit zorg voor de dorstige voerlui dat de Magistraat van Ommen besloot om hier in 1662 een herberg te stichten. Deze stond er voornamelijk ter versterking van de stadsfinanciën. De inkomsten van de herberg vloeiden rechtstreeks in de stedelijke schatkist. Ongeveer op deze plek met de kruising Haarsweg ligt nu ook een kunstwiel. Verder kwam op het kruispunt van de Hessenweg en de weg naar de Ommerschans herberg De Bisschopshaar te staan. Richting Zwolle bevond zich in Varsen nog herberg Het Zwarte Paard. Aan de westkant van Ommen werd de weg verbonden met de Varsenerdijk. Daarna vervolgde de route ten noorden van de Wildbaan richting Dalfsen. In Oudleusen had je dan herberg De Landskroon. Op het wapen van de herberg stonden drie flessen geschilderd, gedekt met een kroon. De huidige weg “Om de Landskroon” herinnert nog aan de oude herberg. Bij Ankum lag herberg Het Roode Hert. In de 19de eeuw begon men met het verharden van zandwegen, zodat speciale Hessenwegen overbodig raakten. De doorgaande route bij Ommen kwam omstreeks 1810 langs de Vecht te liggen. Bovendien kreeg het vrachtvervoer geduchte concurrentie door de aanleg van kanalen en spoorwegen. De Hessenwagens verdwenen uit het landschap en de wegen werden aan de natuur teruggegeven. Alleen de loop en benaming van de Hessenweg herinnert nog aan deze internationale verkeersweg. Overigens wordt de noordkant van het huidige Arriërveld sinds 2010 doorsneden door de nieuwe autoweg N36 tussen de N48 en de Witte Paal. Deze vervangt de aan de zuidkant gelegen Coevorderweg (de oude Rijksweg 34) voor het verkeer Ommen-Hardenberg.

Bron: Harry Woertink – 14 september 2020

Reageren »

• • •

Geen reacties »

Nog geen reacties.

Voeg een reactie toe

*
Voer het hiernaast afgebeelde woord in. Klik op de afbeelding om het woord af te luisteren.
Anti-spam image