микрозаймы

6 april 2020

Angstigste oorlogsdagen in Beerze – Herinneringen van Henk Schuurman

Categorie: Harry Woertink, Oorlog en Bevrijding.    382 keer gelezen.

Op woensdag 11 april 1945 werd Ommen bevrijd. Beerzerveld en Beerze waren al eerder bevrijd. Er werd op de grens van Den Ham en Ommen in de laatste dagen nog volop strijd gevoerd tussen nog aanwezige Duitse soldaten en voornamelijk het verzet.

 Op de grens van Ommen en Mariënberg herinnert een monument aan de periode 1940-1945, een beeld van een treurende moeder met kind.
Foto: Harry Woertink
Zie voor meer afbeeldingen het album “Verzet WO2”.

Op 5 april 1945 achtervolgde een groep verzetsmensen Duitse soldaten in de richting van Beerze. In een open veld werden Geert Oosterveen en Gerrit Willem Nijboer uit Beerzerveld alsmede Hendrik Jan Schipper uit Westerhaar bij een vuurgevecht dodelijk getroffen. Ook vielen er enkele zwaar gewonden onder de verzetsstrijders. Met behulp van een aantal Canadese gevechtsvoertuigen werd het pleit beslecht. Dit gevecht met het einde van de oorlog in zicht, staat bekend als de “Slag bij de Vosseboer”. De vreugde van de bevolking ging voor de familieleden van de gesneuvelden gepaard met onvoorstelbaar leed. Deze periode van de oorlog weet Henk Schuurman uit Beerze, toen 9 jaar, zich nog goed te herinneren:

Herinneringen
Beerze beleefde begin april 1945 een spannende week. De bevrijders hadden Beerzerveld op 5 april al bereikt. In Ommen zelf moest tot 11 april gewacht worden. In die tussentijd gebeurde er van alles. Je hoorde dat Gait-Willem van Kromhof (G.W. Nijboer) op 6 april het leven verloren had bij een vuurgevecht met Duitse soldaten in het Flier. Op een dag verschenen er in Beerze een paar Canadese pantserwagens die zich ook weer terugtrokken. De volgende dag liepen er Duitse soldaten in Beerze. Ze verbleven bij Meisterboer. Cor Smit, onderduiker bij Tiks, ging vermomd als boerenknecht daar poolshoogte nemen. Een gevaarlijke onderneming, die goed afliep. Er gingen geruchten rond dat we de nacht zouden moeten doorbrengen in de ruterdelle, in het bos achter Withaar, om te schuilen. Men was bang voor beschietingen en branden. Gelukkig kwam het niet zover. In die week begonnen veel Duitsers te vluchten. Vaak met paard en wagen. Er kwamen hele kolonnes volgepakte wagens uit de richting Ommen. De paarden werden door zweepslagen opgejaagd, want de Duitsers hadden haast.

Bij ons (Schuurman) stopte een wagen. Omdat hun paard het niet meer volhield werd ons paard, een kleine bruine kidde, gevorderd. De kidde was niet gemakkelijk uit de stal te krijgen, stribbelde erg tegen. Mijn vader moest grootmoeder, die er bij stond, kalmeren. Ze was kwaad. ‘Ik wol dat ’m doodtrappn’, zei ze van de Duitser. De kidde werd meegenomen en een zware Belgische knol werd achtergelaten. Weken later bleek dat ons paard bij een boer in Bergentheim al weer was vervangen. In ruil voor de Belg kregen we ons paard toen weer terug. Die Belg was overigens zo mak als een lammetje. Ik hem vaak aan een touw door de wei en rond het huis geleid. Later bleek ook dat de Duitsers eerst geprobeerd hadden bij Nijzink van paard te wisselen. Daar liet men in het onderschoer een lege paardenstal zien, ondertussen hopend dat hun paard in een andere stal geen geluid zou geven. In de weken daarna trokken er grote colonnes militair materieel door Beerze, richting Mariënberg. Door pech strandden er wel eens voertuigen, waaronder een pantserwagen bij Tiks. Van de bemanning kregen we als kinderen chocola”.

Bron: Harry Woertink – 6 april 2020

1 Reactie »

• • •

1 reactie »